Jozef van Nazareth

St Jozef

Sint-Jozef, een Joodse timmerman uit Galilea, was de man van de Heilige Maagd Maria, de moeder van Jezus. Hij wordt vereerd als de Patroon van de Kerk.

Voedstervader
Jozef, zoon van Jacob, was de man van Maria en de pleegvader ('voedstervader') van Jezus. Hij stamde uit het geslacht van koning David, van wie voorspeld was dat een van zijn nakomelingen de Messias zou worden. Van beroep was Jozef timmerman of aannemer in Nazareth.

Rechtschapen
In het Nieuwe Testament speelt hij slechts een rol bij de geboorte en kinderjaren van Christus. Volgens het Evangelie van Matteüs was Jozef een "rechtschapen man". Hij overwoog in stilte van zijn verloofde Maria te scheiden, omdat zij zwanger bleek voordat ze gingen samenwonen. Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een een droom een engel, aldus Matteüs. De engel zei: "Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd, uw vrouw tot u te nemen: het kind in haar schoot is van de Heilige Geest" (1,20).

Naamgever
Volgens Matteüs was het Jozef die op gezag van de engel het kind van Maria de naam Jezus gaf. Jezus komt van het Hebreeuwse Jesjoea en dat betekent 'de Heer is verlossing'. Volgens de engel zal Jezus "zijn volk verlossen van hun zonden".

Weduwnaar
Volgens het apocriefe Proto-Evangelie van Jacobus is Jozef een weduwnaar met zonen en Maria een tempelmaagd. Maria is twaalf jaar geworden en haar diensttijd zit erop. Daarom zoeken de priesters een geschikte man voor haar. De geselecteerde kandidaten moeten hun staf in de tempel leggen; de man wiens staf zal bloeien wordt door de hogepriester als Maria's bruidegom aangewezen. De staf van Jozef bloeit, maar Jozef weigert Maria te huwen. "Ik heb zonen en ik ben oud, terwijl zij nog jong is. Ik wil niet belachelijk gemaakt worden onder de kinderen van Israël" (9,8). De hogepriester vermaant hem en zegt dat het de wil van God is, waarop Jozef gehoorzaamt.

Zalige dood
Volgens een overlevering stonden Jezus en Maria beiden aan Jozefs sterfbed. Vandaar dat hij wordt beschouwd als de heilige die wordt aangeroepen ter verkrijging van een 'zalige dood', een sterven waar de bediening van de laatste Sacramenten aan voorafgaat.

Verering
Het feest van Jozef werd al in de negende eeuw op 19 maart in Midden-Europa gevierd. De heilige karmelietes Teresia van Avila (1515-1582) en de heilige bisschop Franciscus van Sales (1567-1622) bevorderden de devotie tot Jozef sterk. In 1729 werd op bevel van paus Clemens XI het Jozeffeest verplicht voor de gehele RK-Kerk. In 1870 verhief paus Pius IX Jozef tot patroon van de Kerk. Zijn opvolger Leo XIII, wees de maand maart aan als de Jozefmaand. Ook verleende hij zijn goedkeuring aan het bidden van een speciale litanie ter ere van Jozef. In 1955 stelde paus Pius XII de 1ste mei in als het feest van Sint-Jozef Arbeider.

Johannes XXIII
Johannes XXIII (1958-1963) was een groot vereerder van de 'Bruidegom van Maria'. De paus die het Tweede Vaticaans Concilie bijeen had geroepen, nam Jozef op in de eeuwenoude heiligenlijst van de Romeinse Canon, het eerste Eucharistisch Gebed van het Romeins Missaal. Paus Franciscus, die op het hoogfeest van Sint Jozef (19 maart 2013) werd geïnaugureerd, deed in het eerste jaar van zijn pontificaat hetzelfde bij de overige eucharistische gebeden.