Justinianus de Grote

De Romeinse keizer Justinianus I (527-565) beschouwde zichzelf als de plaatsbekleder van Christus op aarde. Hij is beroemd geworden als bouwheer van de Hagia Sophia in Constantinopel, als samensteller van het Corpus Iuris Civilis en vanwege de heroveringen van Italia en Africa. Justinianus riep in 553 het Tweede Oecumenisch Concilie van Constantinopel bijeen.

Keizer Justinus
Justinianus was de tweede heerser van de Byzantijnse dynastie die door zijn oom Justinus was gesticht. De opkomst van keizer Justinus I is opmerkelijk. Geboren in een gehucht in een gebied dat nu Zuid-Servië is, groeide hij op in een familie van arme boeren. Als jongen was hij zwijnenhoeder in de Latijnsprekende regio Dardania. Na een invasie van barbaren vluchtte hij met twee gezellen naar Constantinopel. Nadat hij er berooid was aangekomen nam hij dienst in het leger, waar hij een bliksemcarrière maakte. Toen keizer Anastasius I in 518 op sterven kwam te liggen kreeg Justinus, inmiddels generaal, de machtige positie van comes excubitorum, de commandant van de garde van het keizerlijk paleis in Constantinopel.

Geadopteerd
Bij het overlijden van Anastasius liet Justinus zich tot augustus uitroepen. Ongeletterd als hij was, ontbeerde hij de kunst van het regeren. Hij omringde zich daarom met kundige adviseurs, onder wie zijn neef Flavius Petrus Sabbatius, de zoon van zijn zuster Vigilantia. Justinus had hem eerder al geadopteerd en hem de naam Justinianus gegeven.

Paleiswacht
Justinianus werd geboren omstreeks 483 in Tauresium in de provincie Illyricum. Zijn geboorteplaats ligt thans in de Macedonische gemeente Zelenikovo nabij Skopje. Zijn oom had hem voor zijn opleiding naar Constantinopel laten overkomen. Het weinige dat over Justinianus in deze periode bekend is, is zijn lidmaatschap van de Excubitores, de keizerlijke paleiswacht. 

Alleenheerser
Begin 527 werd Justinus ernstig ziek. Hij benoemde Justinianus tot zijn opvolger. Op 4 april 527 werd Justinianus tot medekeizer gekroond in het Grote Paleis van Constantinopel. Op 1 augustus overleed Justinus, waardoor Justinianus alleenheerser van het Romeinse Rijk werd. Zijn vrouw Theodora, met wie hij drie jaar daarvoor in het huwelijk was getreden, verhief hij tot augusta.

Historische bronnen
De voornaamste historische bron over de heerschappij van Justinianus zijn drie geschriften van Procopius van Caesarea, secretaris van Justinianus' generaal Belisarius.:

  • 'Geschiedenis der Oorlogen' (Grieks: Υπερ των πολεμων λογοι; Latijn: De Bellis);
  • 'Over Gebouwen' (Grieks: Περι Κτισματων; Latijn: De Aedificiis);
  • 'Geheime Geschiedenis' (oorspronkelijk titelloos; kreeg bekendheid als de Anekdotes [Grieks: Ανεκδοτα]; herontdekt in de jaren twintig van de 17e eeuw in de Vaticaanse Bibliotheek kreeg het de Latijnse titel Historia Arcana).

De eerste twee boeken zijn geschreven om de daden van Justinianus te roemen. De Geheime Geschiedenis lijkt bedoeld te zijn om de reputatie van de keizer en die van zijn vrouw juist te schaden. Zo hekelt hij het feit dat Theodora van lage komaf was en voor haar huwelijk als courtisane en actrice leefde. Hij erkent echter dat zij zich had bekeerd en een vroom leven probeerde te leiden. 

Crisis
Het meest dringende probleem dat zich als eerste aan Justinianus opdrong was de invasie van de Perzen in Armenia. Generaal Belisarius versloeg de Perzen in 530, maar verloor het jaar daarop. Justinianus riep daarom zijn generaal terug naar Constantinopel. Begin 532 maakte Belisarius daar de grootste crisis van Justinianus' regering mee: de zogenoemde Nika-oproer.

Nika-opstand
Op 10 januari 532 braken er rellen uit in de Hippodroom, waar de politieke facties vertegenwoordigd waren in de diverse supportersgroepen. Het geweld sloeg over op de hele stad en er brak een grote opstand uit. Een grote menigte viel het Grote Paleis aan en schreeuwde 'Nika' ('overwinning'), de kreet waarnaar de revolte werd genoemd. Rebellenleider Hypatius werd in de Hippodroom tot keizer uitgeroepen. Justinianus zou zich met angst en beven in zijn paleis hebben verschanst, en hebben overwogen Constantinopel te ontvluchten. Het was keizerin Theodora die hem moed insprak om terug te vechten. Belisarius kreeg daarop de opdracht om met zijn leger van barbaren de opstand neer te slaan. Volgens Procopius zouden zo'n 30.000 opstandelingen in de Hippodroom zijn afgeslacht. Hypatius werd geëxecuteerd en zijn lichaam in zee geworpen.

Hagia Sophia
De opstand had een spoor van verwoestingen achtergelaten. De twee voornaamste kerken bij het Grote Paleis, de Hagia Sophia en de Hagia Eirene, waren ruïnes geworden. Om het volk te laten voelen dat hij de touwtjes weer strak in handen had, besloot Justinianus de Hagia Sophia geheel te vernieuwen. Hij liet uit het hele rijk de beste bouwlieden en kunstenaars naar Constantinopel komen. Als verantwoordelijke architect stelde hij Anthemius van Tralles aan, een van de meest gerespecteerde geleerden van zijn tijd. Anthemius werd bij het ontwerp van de nieuwe kathedraal geassisteerd door Isidorus van Milete, een beroemde wiskundige, die ooit aan het hoofd van de Platoonse Academie in Athene had gestaan. De bouw duurde vier jaar. Op 26 december 537 werd de kerk door patriarch Menas toegewijd aan de Goddelijke Wijsheid. Volgens de legende zou Justinianus, zwaar onder de indruk van de schoonheid van de kathedraal hebben uitgeroepen: “Salomo, ik heb u overtroffen”, daarmee verwijzend naar de Tempel van Jeruzalem, die Israëls koning Salomo had laten bouwen. Een reeks aardbevingen tussen 553 en 558 bracht ernstige schade aan de Hagia Sophia toe. Justianianus gaf opdracht tot herstelwerkzaamheden en de gerestaureerde kathedraal werd in de Kerstnacht van 563 opnieuw gewijd. De liturgie die in de Hagia Sophia werd gevierd stond in heel het rijk bekend om zijn luister. Zo'n 450 geestelijken van alle graden waren ten tijde van Justinianus aan de kathedraal verbonden. 

Kerkenbouw
Justinianus had ook een nieuwe Hagia Eirene laten verrijzen. In totaal zou Justinianus in Constantinopel en omstreken veertig kerken hebben laten bouwen. De enige die daar nog van over zijn, zijn de Hagia Eirene, de Hagia Sophia en de Heilige Sergius & Bacchus. De kerk van de Heilige Apostelen, die Constantius II had laten bouwen maar door Justinianus compleet werd vernieuwd, moest na de Val van Constantinopel (1453) plaatsmaken voor de Fatih-moskee. Een andere beroemde kerk die Justinianus had laten bouwen behoorde tot het Maria-heiligdom van de Levenwekkende Bron (Ζωοδοχος Πηγη, Zoödochos Pege).
Justianianus liet ook delen van het Grote Paleis die tijdens de Nika-opstand waren verwoest vernieuwen. Onder de nog steeds bestaande publieke werken van Justinianus in Constantinopel is de Basilica Cisterne, een ondergronds waterreservoir dat hij onder de Stoabasiliek liet aanleggen. Het vormt thans een van de meest populaire toeristenattracties in Istanbul.

Verovering Africa en Italia
Onder Justinianus werden grote delen van het Romeinse Rijk heroverd. In 533 ging een vloot van vijfhonderd schepen naar Africa om er de Vandalen te verjagen. Na twee veldslagen onder leiding van Belisarius werden de Vandalen verslagen en hun koning Gelimer gevangengenomen. De Byzantijnen behandelden hem goed. Gelimer werd zelfs een landgoed in Galicia aangeboden. Justinianus besloot hem echter niet op te nemen in de patriciërsstand omdat Gelimer weigerde zijn ariaanse geloof af te zweren. In 535 vond de invasie van Sicilië plaats, de eerste aanval op de Ostrogoten. Belisarius slaagde erin om in betrekkelijk korte tijd de steden in het zuiden van Italia te veroveren. Daarna nam hij Rome in en Ravenna in. Generaal Narses arriveerde in 538 met een tweede legermacht, waarna in 540 geheel Italia tot het Byzantijnse Rijk behoorde. Daarna was Hispania aan de beurt, waar slechts de zuidoostelijke punt werd veroverd. In het Oosten bleven de Byzantijnen zware verliezen leiden, vooral tegen de Slaven en de Perzen. Justinianus besloot daarom de grenzen te versterken door middel van muren en forten. De kosten daarvoor waren zo hoog dat de schatkist leeg raakte.

Burgerlijk Wetboek
In rechtshistorisch opzicht is de regeerperiode van Justinianus van enorm belang geweest vanwege de codificatie van het recht. Hij had opdracht gegeven tot het verzamelen van senaatsbesluiten, keizerlijke decreten en jurisprudentiële uitspraken. Deze collectie werd Corpus Iuris Civilis genoemd en gold als burgerlijk wetboek. Het bevat een aantal godsdienstige wetten. Zo werden de canones van de oecumenische concilies tot wet verheven. Dat hield in onder meer dat heidense cultussen, apostasie, schisma en ketterij verboden werden. Ook het joodse leven werd door deze religiewetten zwaar gereguleerd. Zo mocht er in synagogen alleen nog maar worden voorgelezen uit de Septuaginta en niet de Hebreeuwse Bijbel.

Cesaropapisme
Justinianus beschouwde zichzelf als 'priester en koning' (?ερε?ς και βασιλε?ς), dat wil zeggen dat de keizer volgens hem het hoofd was van de staat en de staatsreligie (zie: Cesaropapisme). De plaatsbekleder van Christus op aarde was hij en niet de bisschop van Rome. Vanaf de jaren dertig van de 5e eeuw waren de pausen zijn onderdaan. De pausen Silverius, Vigilius, Pelagius I en Johannes III hebben zijn kerkelijke macht aan den lijve ondervonden. Ook hun opvolgers bleven bijna twee eeuwen lang ondergeschikt aan de Byzantijnse keizer.

Constantinopolitanum II
Het laatste oecumenische concilie had in 451 in Chalcedon plaatsgehad. Dat concilie leerde dat Christus één persoon is, beschikkend over een goddelijke én een menselijke natuur. Daarmee was de leer van het monofysitisme verworpen. Na het concilie werd de stroming van de miofysieten steeds invloedrijker, vooral in Egypte en Syrië. Zij werden door de Chalcedonianen als monofysitisch beschouwd en dus als ketters. De miofysieten leerden dat de ene persoon Christus een unieke theandrische (godmenselijke) natuur heeft. De strijd tussen de Chalcedonian en de miofysieten werd zo grimmig dat Justinianus zich genoodzaakt voelde in te grijpen. Bisschop Theodorus Ascidas van Caesarea adviseerde de keizer om drie nestoriaanse geschriften te veroordelen die indruisten tegen zowel het Chalcedonische als het miofysitische standpunt. De veroordeling van de zogenoemde Drie Kapittelen zou dan de eenheid in de Kerk, die Justinianus zo begeerde, kunnen herstellen. In mei 553 werd daartoe een oecumenisch concilie in Constantinopel bijeengeroepen. Dit concilie kon echter niet verhinderen dat de miofysieten zich van de Katholieke Kerk afsplitsten.

Heilige
Tot op de laatste dag van zijn leven bleef Justinianus regeren. Op 13 of 14 november 565 stierf hij aan de gevolgen van een hartaanval of een beroerte. Hij was toen 83 jaar en zijn heerschappij had 38 jaar geduurd. Twee dagen na zijn overlijden werd hij bijgezet in een nieuw mausoleum in de kerk van de Heilige Apostelen. In de Orthodoxe Kerk wordt Justinianus als een heilige vereerd. Zijn gedachtenis valt op 14 november.

Sluiting van de Academie
In veel geschiedenisboeken staat dat Justinianus in 529 de Academie van Athene sloot. Het einde van deze beroemde door Plato gestichte filosofenschool wordt vaak beschouwd als het begin van de middeleeuwen. Of Justinianus daadwerkelijk de Academie heeft gesloten, daarover bestaat de laatste tijd twijfel. Hij zou in genoemd jaar slechts de leerbevoegdheid van niet-christelijke filosofen hebben ontnomen en de staatssubsidie hebben stopgezet.