De kapucijnen vormen een vertakking van de door Sint Franciscus van Assisi gestichte minderbroederorde. De kapucijner spiritualiteit kenmerkt zich door de nadruk op broederschap, eenvoud en persoonlijke vrijheid.

De Orde der Minderbroeders Kapucijnen (Latijn: Ordo Fratrum Minorum Capuccinorum) begon in de 16e eeuw als afsplitsing van de Minderbroeders Observanten. De eerste kapucijnen beoogden een strikte observantie van de Regel van Franciscus. Zij droegen een andere monnikspij dan andere franciscanen. Opvallend was hun puntige monnikskap (Italiaans: cappuccio); vandaar dat ze kapucijnen (cappuccini) werden genoemd. De officiële dracht van de kapucijnen is een bruine pij met puntkap met om het middel een wit koord met drie knopen erin. Volgens de Nederlandse kapucijn Antoon Mars kan de 'echte kapucijn' aldus worden getypeerd: "de eenvoud zelve, humorvol en één brok energie”.



GESCHIEDENIS

Matteo da Bascio

Het kapucijner ideaal begon met Matteo Serafini da Bascio (1495-1552), een priester en prediker binnen de Orde der Minderbroeders Observanten (franciscanen) in de Marken van Ancona. Het was zijn verlangen om te leven zoals Francesco d'Assisi had gedaan: predikend rondtrekken in extreme armoede. Maar zijn provinciaal overste, Giovanni da Fano, verbood hem dat. Toen zou Sint Franciscus hem in een visioen verschenen zijn, daarbij zijn oorspronkelijke kleding tonend: een rafelige pij met een puntkap. Daarop besloot Matteo heimelijk naar Rome te gaan om daar de pauselijke zegen over zijn religieus ideaal te verkrijgen. Paus Clemens VII (1523-1534) gaf hem toestemming op voorwaarde dat hij zich eenmaal per jaar zou melden bij de provinciaal. Toen hij dat deed, liet deze Matteo direct wegens ongehoorzaamheid in de kloostergevangenis van Fano werpen.

Broers uit Fossombrone

Matteo was niet de enige minderbroeder die de Regel van Franciscus strenger wilde navolgen. De gebroeders Lodovico en Raffaello Tenaglia da Fossombrone, eveneens lid van de observanten van Fano, leidden al een streng kluizenaarsbestaan. Steeds meer franciscanen raakten bevangen door dit nieuwe ideaal, tot grote ergernis van de observantenprovinciaal van Fano. Verontwaardigd over de gevangenschap van Matteo besloten Lodovico en Raffaello zich te onttrekken aan het provinciaal gezag en namen in 1526 hun toevlucht tot een camaldulenzenklooster in Cingoli. (Volgens sommige historici zou de puntkap zijn ontleend aan het camaldulenzer habijt.) Nadat Matteo op voorspraak van de hertogin van Camerino, de nicht van Clemens VII, was vrijgekomen trokken de drie minderbroeders naar Rome om voor hun gedeelde ideaal pauselijke toestemming te krijgen. 

Stichting

Paus Clemens VII gaf Matteo, Lodovico en Raffaello toestemming om als heremieten te leven. In mei 1526 betrokken zij de kluis San Cristoforo bij Camerino. Een vierde minderbroeder voegde zich bij hen: Paolo da Chioggia. De groep verhuisde daarop naar Fossombrone. Twee jaar lang leefden ze daar in bittere armoede. Toen in het hertogdom Camerino de pest was uitgebroken, besloten de vier zich geheel en al in te zetten voor de verzorging van de pestlijders. Daarmee groeide hun reputatie als 'mannen van God'. Toen hertogin Caterina Cibo van Camerino hun zaak bij haar oom Clemens VII bepleitte, vaardigde de paus op 3 juli 1528 de bul Religionis zelus uit. Daarmee was de stichting van deze nieuwe franciscaanse groepering een feit. Wel stelde de paus haar onder toezicht van de Orde der Minderbroeders Conventuelen. De constituties van de nieuwe gemeenschap schrijven haar leden voor de Regel van Franciscus te volgen, een kluizenaarsbestaan te leiden, een lange baard te dragen, barrevoets te zijn, gekleed te gaan in een pij met spitse kap, te bedelen en te prediken voor het volk. De mensen in het hertogdom Camerino noemden hen al snel scapuccini ('kapmannen').

Crisis

De gemeenschap van de kapmannen verspreidde zich onder leiding van zijn vicaris-generaal Bernardino d'Asti zeer snel over Italië. Maar al snel dienden de eerste moeilijkheden zich aan. In 1537 liet Matteo van Bascio weten dat hij niet meer opgewassen was tegen de hardheid van het kapucijner leven. Hij besloot daarop terug te keren naar zijn oude klooster van de minderbroeders observanten. In 1542 veroorzaakte de nieuwe vicaris-generaal van de kapucijnen, Bernardino Ochino, opschudding toen hij besloot zich in Zwitserland aan te sluiten bij de reformator Jean Calvin (Calvijn). Daarmee kwam de gehele gemeenschap in een kwaad daglicht te staan. Pas toen Francesco da Iesi in 1543 als nieuwe generale overste aantrad, begon de kapucijner beweging tot ontwikkeling te komen en zich ook buiten Italië te verspreiden.

Autonome orde

In 1608 verklaarde paus Paulus V officieel dat de kapucijnen ware zonen van Sint Franciscus waren. Op 23 januari 1619 vaardigde de paus de breve Alias felicis recordationis uit, waarin hij de kapucijnen autonomie verleende. Daardoor werden zij onafhankelijk van de gehoorzaamheid en de jurisdictie van de minister-generaal van de Orde der Minderbroeders Conventuelen. De stichting van de Orde der Minderbroeders Kapucijnen was hiermee een feit. Aan het hoofd kwam evenals bij de andere minderbroederorden een minister-generaal te staan.

SPIRITUALITEIT

Strenge ascese

De kapucijnen zijn begonnen als ruige volgelingen van Sint Franciscus. Hun leefwijze was streng ascetisch en elk lid was volstrekt bezitloos. Zij combineerden aanvankelijk een heremietenbestaan met prediking onder het volk. Met de uitbreiding van de orde, werden de kapucijnen gegroepeerd in kleine communiteiten. Daarna ontstonden kloosters, die meestal aan de rand van de steden werden gebouwd. Ten tijde van de Contrareformatie werden ze ingezet om te prediken onder het volk; een beroemd voorbeeld hiervan is Sint Fidelis van Sigmaringen (1577-1622). Ook werden ze als missionarissen naar Amerika, Afrika en Azië gezonden. In de moderne tijd werd gekozen voor het apostolaat onder de arbeiders en de boeren.

Lekenbroeders en paters

Tot aan het Tweede Vaticaans Concilie was de kapucijner orde een van de strengste religieuze gemeenschappen van de Katholieke Kerk. Zoals overal in de kloosters gold er een scheiding tussen lekenbroeders en clerici (fraters en paters). De eersten hadden als taak om 'op termijn' te gaan, dat wil zeggen aalmoezen te vergaren. Zij waren dus echte bedelmonniken en daarmee de dragers van het armoede-ideaal van Sint Franciscus. De paters, de kapucijnen die tot priester waren gewijd, waren belast met de prediking en de zielzorg. De kapucijnen stonden bekend om hun eenvoud en directheid. Wie was ingetreden kreeg een kloosternaam met als toevoeging de naam van zijn geboorteplaats. Zo werd Theo Liebreks uit Mierlo voortaan Godehardus a Mierlo (Godhard van Mierlo) genoemd.

Aggiornamento

Na het concilie werd het religieuze leven in de Katholieke Kerk grondig hervormd. De harde scheidslijn tussen wereld en klooster kwam te vervallen. Ook werd er gestreefd naar meer medezeggenschap. Het onderscheid tussen leken en clerici werd opgeheven. Ook verdween de tonsuur, het uiterlijke kenmerk van de clericus. De kapucijnen juichten deze gelijkschakeling van harte toe, omdat dit goed aansloot bij het franciscaanse broederschapsideaal. Vooral binnen de Nederlandse kapucijnenprovincie werden de veranderingen van het aggiornamento goed zichtbaar. Velen kapucijnen lieten hun baard niet meer zo lang groeien en trimden hem bij; soms werd hij verkleind tot een sik of zelfs geheel afgeschoren. Ook begonnen velen van hen schoenen te dragen. De bruine pij met het witte koord werd gehandhaafd, hoewel dit niet meer verplicht werd gesteld. Ook namen sommigen weer hun burgerlijke naam aan. Zo ging Albuinus ab Helmond weer gewoon Piet Leenhouwers heten. Persoonlijke vrijheid werd voortaan beschouwd als voorwaarde tot echte broederschap.

ORGANISATIE

Franciscaanse Familie

De Orde van de Minderbroeders Kapucijnen is een internationale broederschap en maakt deel uit van de Franciscaanse Familie. Er zijn (januari 2010) ongeveer 11.000 kapucijnen in de wereld, de meeste van hen leven in Italië, India, Brazilië en Noord-Amerika. De organisatiestructuur van groot naar klein luidt: orde, provincie, custodie en klooster.

Provincies

De orde is verdeeld over regio's die provincies worden genoemd. Er zijn (anno 2010) meer dan 80 provincies en 25 custodieën (beginnende provincies). Aan het hoofd van een kapucijner provincie staat een minister-provinciaal en aan het hoofd van een custodie een custos. Een overste van een klooster heet een gardiaan.

Generaal bestuur

Als wereldwijde organisatie wordt de orde bestuurd door een in Rome residerend generaal bestuur, bestaande uit allereerst de minister-generaal, voorts de vicaris-generaal en een achttal broeders met de functie van definitor-generaal. Het hoogste orgaan van de orde is het Generaal Kapittel, dat om de zes jaar gehouden wordt. Deze vergadering van alle provinciaal-oversten kiest een nieuwe minister-generaal en vernieuwt de constituties van de orde. De nieuwe constituties worden ter goedkeuring voorgelegd aan de Congregatie voor de Religieuzen, de pauselijke instanties die toezicht houdt op de religieuze ordes, congregaties en sociëteiten van de Katholieke Kerk.

NEDERLAND

Velp

Al kort na de stichting in de 16e eeuw leefden er kapucijnen in Nederland. In Den Bosch dateert de kapucijnencommuniteit van 1611. Het oudste nog bestaande kapucijnenklooster werd in 1645 gebouwd en staat in Velp, tussen Grave en Ravenstein. Tijdens de calvinistische overheersing werd de Nederlandse provincie opgeheven. In 1882 werd zij opnieuw opgericht.

Kloosters

In Nederland zijn de kapucijnen nog gevestigd in Breda (tot april 2013), 's-Hertogenbosch (provincialaat), Tilburg (verzorgingsklooster en missieprocuur) en Velp. De kloosters in Babberich, Biezenmortel, Eindhoven, Glanerbrug, 's-Gravenhage, Handel, Helmond, Oosterhout, Rilland-Bath, Langeweg (voorheen Slikgat), Rotterdam (Charlois), Sluiskil, Steyl en Voorburg werden in de tweede helft van de 20ste eeuw opgeheven. In 2003 namen de kapucijnen afscheid van hun klooster aan de Zeeweg in IJmuiden. In 2004 sloten de kapucijnen hun klooster aan de Tichelstraat in de Amsterdamse Jordaan. Later werd ook het klooster in Nijmegen verkocht.

Seminaries

Het theologicum van de kapucijnen stond in Biezenmortel bij Udenhout. Het philosophicum was ondergebracht in de kloosters van Biezenmortel en Helmond. In Nijmegen had de orde een huis voor kapucijnen die aan de Katholieke Universiteit studeerden. Het 'Seraphijnsch kleinseminarie' was gevestigd in Langeweg (1887-1955) en Enschede (1935-1972). Het seminarie van Langeweg, in 1944 door oorlogshandelingen zwaar beschadigd, werd voortgezet in Oosterhout; in 1972 werd het getransformeerd in het Sint-Oelbertgymnasium in Oosterhout, waar de laatste kapucijn-docent in 1986 met pensioen ging.

Noviciaat

De orde heeft in Nederland verscheidene noviciaten gehad, onder meer in Biezenmortel en Enschede. In 1968 werd het Sint-Josephklooster in Tongerle (Eindhoven) eigendom van de kapucijnen, die het klooster aanvankelijk gebruikten als verzorgingshuis voor bejaarde medebroeders. Vanaf 1984 was het in gebruik als gezamenlijk noviciaat, en was het een zogeheten vormingsfraterniteit voor zowel de kapucijnen van Nederland en Vlaanderen als voor de franciscanen van Nederland en Vlaanderen. Later namen ook de conventuelen eraan deel. In 2004 werd het klooster afgestoten en omgebouwd voor studentenhuisvesting.

Missie

Vanuit de Nederlandse kapucijnenprovincie werden missionarissen uitgezonden naar Indonesië (Sumatra en Borneo), Tanzania en Chili. De missieprocuur werd gevestigd in het kapucijnenklooster van Tilburg. De volgende Nederlandse kapucijnen waren missiebisschoppen:

  • Jan Pacificus Bos, apostolisch vicaris van Nederlands Borneo (1918-1934);
  • Mathias Brans, apostolisch vicaris van Padang (1933-1941), en apostolisch vicaris van Medan (1941-1954);
  • Tarcisius van Valenberg, apostolisch vicaris van Pontianak (1935-1957);
  • Herculanus van der Burgt, apostolisch vicaris van Pontianak (1957-1961), en aartsbisschop van Pontianak (1961-1976);
  • Ferrarius (Antoine Henri) van den Hurk, apostolisch vicaris van Medan (1955-1961), en aartsbisschop van Medan (1961-1976).

HEILIGEN

Heiligen van de kapucijner orde:

  • Agathangelus van Vendôme
  • Andreas Jacinto Longhin
  • Angelus van Acri
  • Anicetus Koplin en gezellen
  • Apollinaris van Posat
  • Aurelius van Vinalesa en gezellen
  • Bernardus van Corleone
  • Bernardus van Offida
  • Benedictus van Urbino
  • Cassianus van Nantes
  • Crispinus of Viterbo
  • Didacus van Cádiz
  • Felix van Cantalicië
  • Felix van Nicosía
  • Fidelis van Sigmaringen
  • Franciscus Maria van Camporosso
  • Honoratus van Biala
  • Ignatius van Laconi
  • Ignatius van Santhià
  • Innocentius van Berzo
  • Jeremias van Walachije
  • Johannes Ludovicus Loir en gezellen
  • Joseph van Leonessa
  • Koenraad van Parzham
  • Laurentius van Brindisi
  • Leopold Mandic van Herzegovina
  • Marcus van Aviano
  • Nicolaas van Gèsturi
  • Pius van Pietrelcina
  • Seraphinus van Montegrano



TRIVIA

Habsburgse keizers

Overleden Oostenrijkse keizers en keizerinnen van het Huis van Habsburg werden begraven in de Kapuzinergruft, de crypte van de Weense kapucijnenkerk. Op de dag van de uitvaart naderde een uitbundige stoet de kerk. De keizerlijke ceremoniemeester klopte dan op de gesloten kerkdeur. De gardiaan vroeg: “Wie is daar?” waarop de ceremoniemeester antwoordde: “Zijne keizerlijke, koninklijke en apostolische Majesteit, bij de gratie Gods Keizer van Oostenrijk, Koning van Hongarije, van Lombardije, van Venetië, Bohemen, van Dalmatië, Kroatië, Koning van Jeruzalem, Groothertog van Toscane en Krakau, etc., etc.” Stilte. De gardiaan: ”Die kennen wij niet.” Wederom werd geklopt. “Wie is daar?” “De Keizer van Oostenrijk, de Koning van Hongarije …”. Stilte. “Die kennen wij niet.” Dan voor de derde keer geklop. “Wie is daar?” Ditmaal luidde het antwoord: “Een zondige ziel die hoopt op het erbarmen van de Eeuwige.” Pas dan gingen de deuren open en kon de stoet de kapel binnengaan.

Cappuccino

De Italiaanse koffiedelicatesse cappuccino is zo genoemd vanwege haar kleur die doet denken aan de bruine kapucijnenpij. Dat is ook het geval met de kapucijners (velderwten) en de kapucijnenapen.

Éminence grise

De uitdrukking éminence grise staat voor een figuur die op de achtergrond macht uitoefent. Zij vindt haar oorsprong bij de kapucijn Père Joseph (François Leclerc du Tremblay, 1577–1638), de biechtvader en raadsman van de beruchte Franse staatsman kardinaal Richelieu. Kardinalen worden aangesproken met 'Eminentie'. Père Joseph werd vanwege zijn grauwe kapucijner pij 'grijze eminentie' genoemd, alsof hij in werkelijkheid de touwtjes in handen had.