Katholiekendagen

De Katholiekendagen werden in Nederland gehouden van 1899 tot 1940. Het waren regionale, diocesane of landelijke manifestaties, voornamelijk gericht op het behoud van de eenheid onder de rooms-katholieken in de standenmaatschappij. Vrijwel alle prominenten uit het 'roomse' leven hebben op de Katholiekendagen het woord gevoerd. Deze bijeenkomsten kunnen beschouwd worden als spiegels of dia's van het evoluerende katholicisme.

Opbouw van dit lemma:
1. Oorsprong in Duitsland en Italië
2. Nederland: Diocesane katholiekendagen
3. 'Nederlandsche Katholiekendag'

1. DUITSLAND en ITALIË

Ontstaan in Duitsland
De Katholiekendagen zijn in Duitsland ontstaan. Het op gang komen van de katholieke beweging in Duitsland kan men dateren in 1848 bij de stichting van de Pius-Vereine, die spoedig hun krachten bundelden in de Katholische Verein. Deze beschouwde zichzelf als 'ein geistiges Parlament des katholischen Volkes' dat zelfbewust te werk ging maar ten volle trouw aan de paus en de bisschoppen bekende. Naast de besloten vergaderingen van de Katholische Verein werden vanaf het begin ook algemene vergaderingen gehouden waar elke katholiek welkom was en in het algemeen gedegen, wetenswaardige uiteenzettingen kon beluisteren.

Congressen
Het Duitse voorbeeld van het houden van Generalversammlungen der Katholiken Deutschlandswerkte met name vanaf de Kulturkampf aanstekelijk voor vele katholieken in andere landen, het eerst in Duitssprekende gebieden. In sommige landen koos men een andere vorm van vergaderen die dan vaak congres werd genoemd. Daarbij werden katholieken op grond van een organisatorisch verband, rond een bepaalde thematiek of op persoonlijke titel uitgenodigd, maar konden anderen niet vrij algemene vergaderingen bezoeken.

Italië
De bekendste congressen, en voor katholieken in andere landen de belangrijkste wegens de directe pauselijke bemoeienis daarmee, waren die in Italië onder de naam Opera dei Congressi(1874-1904). Aanvankelijk was deze organisatie zeer behoudend ingesteld met krachtige bisschoppelijke invloed. Maar door de toenemende industrialisatie in het noorden van Italië, het voorbeeld van de politiek-sociale richting van de Duitse katholieken en de meer naar de wereld gerichte koers van paus Leo XIII die voor velen vooral tot uitdrukking kwam in de reorganisatie van de Opera in 1884 en nog meer in de encycliek Rerum novarum over de Katholieke Sociale Leer uit 1891, kregen vooruitstrevende krachten binnen de Opera dei Congressi voet aan de grond.

Democraten versus conservatieven
Democratisch gezinde katholieken bereidden voorzichtig een politieke beweging voor. Dit was niet naar de zin van de krachtige, conservatieve stroming van de 'intransigenten', die conform aan het beleid van paus Pius IX geen enkele samenwerking met de machtige liberaal-laïcistische partijen wensten. De conservatieven slaagden erin paus Leo XIII zover te krijgen dat hij in de encycliek Graves de communi re van 1901 hun zijde koos.

Aanscherpingen Pius X
Leo XIII definieerde de christelijke democratie als de 'voor het volk heilzame christelijke actie', dus actie voor het volk maar niet door het volk. Daarnaast werd de leiding van de bisschoppen bij die katholieke actie met grote nadruk opgelegd. Hoewel deze voorschriften primair Italië aangingen, hadden ze effect in de hele katholieke wereld. De opvolger van Leo XIII, paus Pius X, scherpte zo mogelijk de nieuwe richtlijnen aan door een motu-proprio kort na zijn aantreden in 1903. Hij eiste absolute gehoorzaamheid. De rust en volstrekte volgzaamheid binnen de Opera werden zo echter niet tot stand gebracht. Het gevolg was de opheffing van de Opera dei Congressi als landelijke organisatie van de katholieke beweging in Italië.

Katholieke volkspartijen
Met de encycliek Il fermo proposito van 1905 bracht Pius X de katholieke beweging opnieuw geheel onder straffe leiding van de bisschoppen. Benedictus XV verruimde de mogelijkheden voor katholieken om politieke invloed uit te oefenen via een onafhankelijke, maar wel katholieke Volkspartij. Pius XI nam een aantal maatregelen om de katholieke actie geheel tot verlengstuk van het beleid van de hiërarchie te maken.

Schaepman
Talrijke Nederlanders hebben Duitse Katholiekendagen meermaals bezocht. Enkelen van hen hebben de groeiende betekenis van het katholicisme in hun vaderland met trots aan bezoekers van de Generalversammlungen der deutschen Katholiken kenbaar kunnen maken. De katholieke politicus en priester Herman Schaepman (1844-1903) voelde zich daar in zijn element en hij werd er ook hoog gewaardeerd.

Weerstand Nederlandse bisschoppen
Vele Nederlanders verwierven in Duitsland het enthousiasme en de kennis om een voorname rol te kunnen spelen bij het tot stand brengen van de Katholiekendagen in Nederland. In de jaren negentig van de negentiende eeuw heeft de encycliek Rerum novarum van Leo XIII hen krachtig geïnspireerd, maar verschillende pogingen om landelijke Katholiekendagen tot ontwikkeling te brengen mislukten, omdat aartsbisschop Van de Wetering en bisschop Bottemanne van Haarlem zich daartegen keerden.

2. NEDERLAND: DIOCESANE KATHOLIEKENDAGEN

Start diocesane Katholiekendagen in Nederland
Omstreeks 1900 slaagden actieve geestelijken en leken onder auspiciën van de bisschoppen in de drie zuidelijke bisdommen van de Nederlandse kerkprovincie erin afzonderlijke diocesane Katholiekendagen van de grond te krijgen. Deze evenementen werden door een groeiend deel van het katholieke volk met enthousiasme begroet. De nog geringe en vaak lokaal zeer verspreide katholieke sociale actie groeide door het entameren van diocesane Katholiekendagen uit tot de katholieke beweging en het katholieke milieu die pasten in het Europese patroon. De Katholiekendagen in het zuiden kregen na een Noord-Hollands experiment in 1902 pas in 1906 in het bisdom Haarlem navolging. In het aartsbisdom zijn nimmer diocesane Katholiekendagen gehouden maar slechts regionale en wel vanaf 1916. Aartsbisschop Henricus van de Wetering gedoogde Katholiekendagen in zijn bisdom ruim een decennium later dan de bisschoppen elders. Hij verwachtte er weinig heil van. Zijn opvolgers toonden veel meer betrokkenheid.

Standensamenleving
Bij vele facetten in de organisatorische opzet werkte de keuze voor het diocesane particularisme door: bij de uitnodigingen aan bezoekers, bij de keuze van de sprekers, bij het debat en de besluitvorming over de conclusies en bij de nevenactiviteiten. Heel voor de hand liggend was het dat de organisatoren van de diocesane Katholiekendagen in het algemeen min of meer aansluiting zochten bij de in de praktijk bestaande orde in de samenleving. Deze werd gekenmerkt als een informele standensamenleving. De voor 1900 tot ontwikkeling gekomen boeren- en arbeidersverenigingen vormden een soort standsverenigingen die later tot formele standsorganisaties naast vakverenigingen werden uitgebouwd. Middenstanders en werkgevers sloten zich na enige tijd bij die constellatie aan en later voegden zich nieuwe standsorganisaties toe.

Godsdienstige onderwerpen
De doelstellingen van de Katholiekendagen waren overal hetzelfde, namelijk de bevordering van de katholieke actie en behoud van de katholieke eenheid. Die waren bepalend voor de keuze van de te bespreken onderwerpen. Godsdienstige onderwerpen kregen de meeste aandacht. Bij zedelijke, culturele, sociale en zelfs politieke speelden de godsdienstige noties en aspecten steeds een essentiële rol. De katholieke visie op het menselijk bestaan werd in essentie voornamelijk door godsdienstige uitgangspunten bepaald. De bisschoppen hebben steeds dit aspect van zielzorg goed in de gaten gehouden en verzorgd.

Sociale actie
Tot 1905 richtten de organisatoren en de bisschoppen zich voornamelijk op de stimulering van de Katholieke Sociale Actie. Sinds de bisschoppen vanaf 1905 voor alle vergaderingen van een Katholiekendag hetzelfde onderwerp ter bespreking voorlegden, konden zij des te gemakkelijker en des te krachtiger de Katholiekendagen als instrumenten ter verspreiding van hun pastorale beleidsdoeleinden inzetten. Heel begrijpelijk is het derhalve dat de bisschoppen vooral acht hebben geslagen op de noden en de belangen van het eigen bisdom en dat zij in hun slottoespraken op de Katholiekendagen regelmatig van persoonlijke interesses en devoties hebben blijk gegeven. Een uitzondering op deze bestuurlijke praktijk werd in het aartsbisdom Utrecht toegepast. Mgr. Henricus van de Wetering en zijn opvolgers voerden ten aanzien van het beleid en de organisatie van de Katholiekendagen in hun diocees geen actieve rol. Zij beperkten zich tot een beoordelende begeleiding van de organisatoren in de regio's.

Eenheid van de katholieken
Eén van de doelstellingen van de Katholiekendagen betrof zoals gezegd de bevordering van de eenheid van de katholieken. De bedoeling was alle katholieken in katholieke organisaties onder te brengen en ze aldus in te voegen in de katholieke subcultuur of het katholieke milieu. Interconfessionele, christelijke verenigingen zijn daarvan de dupe geworden, maar zowel bij de boeren als bij de arbeiders waren nogal wat personen niet bereid hun oorspronkelijke keuze prijs te geven. Ook op de terreinen van de zedelijkheid, de cultuur en de ontspanning streefde men naar eenheid die ordening en disciplinering in de aparte katholieke zuil betekende.

Burgerlijke autoriteiten
Toch was het niet alleen maar afgeslotenheid op de Katholiekendagen. Vanaf 1901 ontstond in het bisdom Roermond de traditie dat het gemeentebestuur van de stad waar een Katholiekendag plaats vond een receptie aanbood aan de bisschop, het bestuur en andere bij de organisatie betrokken lieden en sprekers van de Katholiekendag. In het bisdom Den Bosch vanaf 1920 bijvoorbeeld en sedert 1922 ter gelegenheid van de Nederlandse Katholiekendagen gebeurde dat ook. Zelfs op de Gronings-Drentse Katholiekendagen lieten burgerlijke autoriteiten zich in de jaren dertig zien. Deze bijeenkomsten, wel tot de elites beperkt, bevorderden en bevestigden de integratie van het katholieke volksdeel als collectief in de Nederlandse samenleving.

3. NEDERLAND: LANDELIJKE KATHOLIEKENDAGEN

Troelstra
De eerste landelijke 'Nederlandse Katholiekendag' vond plaats van 23 tot en met 25 september in 1919 in Utrecht. De directe aanleiding hiertoe had plaats in het najaar van 1918 toen de socialist Pieter Jelles Troelstra de vergissing beging een revolutie van de arbeidersklasse aan te kondigen. Hij zette daarmee zichzelf en zijn partij lange tijd achter de coulissen van het politieke toneel. Anderen poogden die vervolgens zoveel mogelijk te vergrendelen. Zo bood hij bijvoorbeeld aan de conservatieve baron Antonius van Wijnbergen, Kamerlid van de RKSP en voorzitter van de Algemeene Bond van R.K. Kiesvereenigingen, de gelegenheid aartsbisschop Van de Wetering over te halen eindelijk zijn weigerachtige houding tegenover Nederlandse Katholiekendagen prijs te geven.

Antisocialistisch
De antisocialistische mentaliteit fundeerde mede de Nederlandse Katholiekendagen. Baron Van Wijnbergen vond het van het grootste belang het hoofd te bieden aan de dreigende splijting onder de katholieken door een afsplitsing van arbeiders. Landelijke eenheid van alle geledingen van het katholieke volk was gezien de politieke omstandigheden strikt vereist. Juist een landelijke Katholiekendag zou heilzaam kunnen werken. Daarbij was haast geboden. Ook de regering stelde alles in het werk om aan de katholieke arbeidersbeweging tegemoet te komen. Toen de aartsbisschop eenmaal voor het houden van een Nederlandse Katholiekendag was gewonnen, stemden de andere bisschoppen ogenblikkelijk daarmee in. De aartsbisschop nam kordaat de regie in handen en ruim negen maanden na de mislukte revolutie van Troelstra kon de eerste Nederlandse Katholiekendag in Utrecht plaatsvinden.

Organisatie
De organisatie van de Nederlandse Katholiekendagen werd aan vijf geestelijken en vijf leken komend uit de vijf bisdommen toevertrouwd. Zij vormden het algemene bestuur maar kregen geen reglement en stelden er geen op. Formeel had 'De Nederlandsche Katholiekendag' geen statuut. Wel kozen de bestuursleden een dagelijks bestuur dat nagenoeg alle zaken voor het houden van Nederlandse Katholiekendagen degelijk voorbereidde en uitwerkte. Besluiten werden op de Nederlandse Katholiekendagen niet genomen.

Elitair karakter
Lange tijd heeft 'De Nederlandsche Katholiekendag' een elitair karakter gekend: hoge contributies en drie dagen vergaderen midden in de week. Dat werd met name door voorzitter baron Van Wijnbergen nagestreefd. Dit karakter bleef in de kern behouden, toen na een reorganisatie in 1934 de grote massastandsorganisaties werden ingeschakeld. De Nederlandse Katholiekendagen van 1934 en 1937 kregen tengevolge daarvan een tweefasenstructuur: een deel met een toespraak in de openlucht vóór of ná een demonstratie en defilé van de massa en een ander meer uitgebreid bezinningsdeel, bestemd voor de elite van geestelijken, intellectuelen, politici en leiders van organisaties.

Andersdenkenden
De Nederlandse Katholiekendagen waren evenementen met een landelijke impact. In de beoordeling door andersdenkenden speelden de maatschappelijke en politieke indrukken en effecten die de Katholiekendagen nalieten een primaire rol. Daarbij kwam dat de organisatoren politieke onderwerpen minder schuwden en ook minder gemakkelijk uit de weg konden gaan. Dat was mede het gevolg van de door de grondwetsherziening van 1917 veranderde en meer meer verantwoordelijk geworden positie van de katholieken in het Nederlandse politieke bestel. Door de nieuwe grondwet werd het bijzonder onderwijs financieel gelijkgesteld met het publieke onderwijs.

Onaangepastheid in moderne samenleving
Het was opmerkelijk dat de katholieken profiteerden van de moderne politieke verworvenheden, maar tegelijk probeerden hun voormannen, geestelijken en leken, op robuuste wijze hun verouderde staatkundige, culturele en maatschappelijke visies vast te houden en uit te dragen. De gevolgen waren niet enkel in het oog springende onaangepastheid van verreweg de meeste katholieken in de moderne, cultureel-maatschappelijke samenleving, maar ook een geïsoleerde positie in het politieke veld, die door de clerus en de volgzame elite niet ongedaan kon worden gemaakt.

Geen ontwikkeling
De diocesane Katholiekendagen hebben de katholieke beweging flink opgestuwd tot een geëmancipeerd katholiek collectief, een eigen katholiek milieu. De Nederlandse Katholiekendagen hebben dat katholieke milieu niet of nauwelijks verdiept en evenmin diverser of veelzijdiger gemaakt. Buiten die elitaire bijeenkomsten in de jaren twintig en dertig ontwikkelden zich meer pluriforme trekken in de katholieke samenleving in Nederland. Deze waren te danken aan jonge intellectuelen, kunstenaars en schrijvers enerzijds en knappe koppen binnen de arbeidersbeweging anderzijds.

Sprekers
De sprekers waren na de bezoekers op de Katholiekendagen in feite de belangrijkste personen. De toegestroomde katholieken kwamen om te luisteren naar de uiteenzettingen van de geestelijken en leken over door de bisschop(pen) voorgestelde of goedgekeurde onderwerpen en stellingen.

Godsdienstige basis voor zedenleer
De onderwerpen waren talrijk en divers. Ze zijn ingedeeld aan de hand van de vraag over de vrijheid van de katholieken in groepsverband en over de vrijheid van de katholieke persoon als individu. De godsdienstige onderwerpen kwamen het vaakst voor. Dit zal niet verbazen, maar wel de alomvattende betekenis die aan de godsdienst werd toegekend. De basis daarvoor was voor de katholiek in de eerste helft van de twintigste eeuw gelegen in de door God geopenbaarde waarheid en in de door Hem geschapen scheppingsorde. Hieruit vloeide tevens onmiddellijk de ware, katholieke zedenleer voort.

Kernbegrippen
De begrippen waarheid, orde, gezag en gehoorzaamheid waren de kernbegrippen binnen de Katholieke Kerk en in haar visie op het menselijk bestaan. De hierop gebaseerde visie aangaande de ware orde binnen de kerk en in het menselijk samenleven was wezenlijk hiërarchisch. Voor de paus, de bisschoppen en de priesters en ook vele katholieken was de zedenleer een stuk godsdienstige levenspraktijk. De clerus had derhalve in deze gedachtegang zorg en verantwoordelijkheid voor het gehele godsdienstige, particuliere en maatschappelijke leven van de hem toevertrouwde gelovigen. Hiermee hing bijvoorbeeld de grote diversiteit van onderwerpen op de Katholiekendagen samen.

Overzicht Nederlandsche Katholiekendagen
1. Utrecht (1919). Thema: 'De taak der Katholieken in den komenden tijd'
2. Nijmegen (1922). Thema: 'De Katholieke solidariteit'
3. 's-Gravenhage (1925). Thema: 'De beteekenis van de katholieke kerk voor de Nederlandsche beschaving'
4. Maastricht (1928). Thema: 'Het Koningschap van Christus'
5. Amsterdam (1931). Thema: 'Het Christelijk Familieleven'
6. 's-Hertogenbosch (1934). Thema: 'Het Gezag'
7. Utrecht (1937). Thema: 'Voor de Eer van God'
8. Utrecht (1939). Thema: 'Sint Willibrord' [vanwege diens 12e eeuwfeest].

Einde
Op 5 mei 1940 werd in Groningen de laatste diocesane katholiekendag gehouden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog viel er aan het houden van Katholiekendagen niet te denken. Na de Bevrijding bleek er nagenoeg geen animo voor het houden van een regionale, diocesane of landelijke katholiekendag te zijn. Een negende editie van de Nederlandsche Katholiekendag zou er niet meer komen. Het ontbreken van statuten van het stichtingsbestuur had de kerkelijke rechtspositie van het 'instituut' Nederlandsche Katholiekendagen uitermate verzwakt. De bisschoppen zagen er uiteindelijk niets meer in. De liquidatie leidde tot overdracht van de resterende financiën aan de Stichting 1853-1953 ter viering van Honderd Jaar Kromstaf.

De auteur van dit lemma is dr. Harry van Xanten, die in mei 2007 aan de Radboud Universiteit Nijmegen promoveerde op het proefschrift 'Katholieken, wat zijt Gij toch een wonderlijk volk!' De Katholiekendagen in Nederland 1899-1941.