In het klooster verenigen mensen zich om het voorbeeld van Jezus op bijzondere en strikte wijze na te leven, vrij van de compromissen van het gewone leven. De dagindeling, geheel gericht op godsdienst, wordt doorgaans bepaald door het bidden van de getijden.

Opbouw van dit lemma:

A. INLEIDING

  • Bekering
  • Een leven lang
  • Roeping
  • Evangelische raden

B. VROEGSTE GESCHIEDENIS

  • Ascese
  • Eenzaamheid
  • Gemeenschap

C. REGEL EN GELOFTEN

  • Regel
  • Professie

D. KLOOSTERGEBOUW

  • Clausuur
  • Vijf vertrekken
  • Kloostergang

D. WERKEN EN BIDDEN

  • Ora et Labora
  • Getijden
  • Gebed voor iedereen

E. VATICANUM II

  • Tweede Vaticaans Concilie
  • Uit- en intredingen



A. INLEIDING

Bekering

Op verschillende plekken in de evangeliën blijkt dat Jezus Christus iedere mens voor een radicale, maar zeer existentiële keuze plaatst. Christus brengt de Blijde Boodschap van het Rijk Gods, en het is aan een ieder om die boodschap aan te nemen of te verwerpen. Christus roept op tot bekering: hij vraagt de mens om zich vrij te maken van alle Zonden, preoccupaties en beslommeringen die de weg tot het Rijk Gods versperren.

Een leven lang

De Kerk heeft steeds geleerd, dat bekering niet eens en voor altijd gegeven kan zijn, maar steeds opnieuw en levenslang moet worden beleefd en nagestreefd. Ook de gelovige christen raakt immers steeds opnieuw verstrikt in alle mogelijke aardse zorgen en bezigheden die hem het zicht op het Rijk Gods ontnemen.

Roeping

Al sinds de vroegste jaren van het christendom trekken sommige gelovigen zich de oproep tot voortdurende bekering zeer letterlijk en persoonlijk aan. Zij voelen zich geroepen om hun leven volledig te wijden aan het streven naar christelijke volmaaktheid. Aan deze roeping geven zij gehoor door te leven volgens de zogenoemde evangelische raden.

Evangelische raden

Evangelische raden zijn de raadgevingen, door Jezus zelf in zijn boodschap ter beoefening aanbevolen. Meer in het bijzonder worden met de evangelische raden de drie raadgevingen bedoeld waarmee Jezus gelovigen uitnodigt tot navolging van de levensstaat die Hij voor Zichzelf heeft gekozen: gehoorzaamheid, vrijwillige armoede en celibaat. Zo zegt Jezus, die tot in de dood geheel gehoorzaam was aan de Vader, tegen een rijke, wetgetrouwe jongeling: "Als u onverdeeld goed wilt zijn, ga dan uw bezit verkopen en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen." (Matteüs 19,21). En tegen zijn volgelingen: "Er zijn eunuchen [onhuwbaren] die zichzelf zo gemaakt hebben omwille van het koninkrijk der hemelen. Wie dat kan, moet het begrijpen." (Matteüs 19,12).



B. VROEGSTE GESCHIEDENIS

Ascese

Door de nadruk die Christus legt op armoede en zuiverheid gaat het streven naar christelijke volmaaktheid bijna vanzelfsprekend gepaard met een vorm van Ascese. In de oudste christelijke gemeenten vormden mannelijke en vrouwelijke asceten een bijzondere kerkelijke stand. Zij hielden zich bij hun leefwijze doorgaans aan regels die werden opgesteld door de leiders van de gemeenten. Deze monachalen - een naam afkomstig van het Griekse monachos dat 'alleen levend' betekent - leefden louter voor God een sober leven binnen de beslotenheid van de eigen woning.

Eenzaamheid

In de loop der jaren ontstond bij velen een toenemende behoefte om zich geheel uit de als zondig beleefde maatschappij terug te trekken en echte, volledige eenzaamheid te ervaren. Aan het begin van de 3de eeuw trokken enkele mannen daarom de woestijnen van Syrië, Libië en Egypte in, om daar een streng ascetisch leven te leiden als woestijnkluizenaar. Een dergelijke woestijnkluizenaar, ook wel 'eremiet' of 'anachoreet' genoemd, kreeg in de loop der tijd vaak ongewild volgelingen om zich heen, die zich bij hem wilden aansluiten om van hem te leren.

Gemeenschap

In de 4de eeuw gingen de 'woestijnchristenen' hun levenswijze langzaam maar zeker in gemeenschap gestalte geven. Dit 'gezamenlijke kluizenaarschap' onder de leiding van een ervaren geestelijke wordt coenobitisme genoemd, naar het Griekse koinos en bios dat samen 'gemeenschappelijk leven' betekent. Het kan gezien worden als de vroegste vorm van kloosterleven.



C. REGEL EN GELOFTEN

Regel

Toen het kloosterleven, in steeds vast omlijnder vormen, in de loop der eeuwen ook in Europa doordrong ontstonden de zogenoemde kloosterregels. Een regel is het geheel van voorschriften in een klooster, waarnaar de bewoners moeten leven. De regel bepaalt onder meer de dagindeling, de spiritualiteit, de keuze der bezigheden en de aanleg der gebouwen. Eeuwenlang is met name de kloosterregel die de Italiaanse abt Benedictus van Nursia omstreeks 520 opstelde van grote invloed geweest op de ontwikkeling van het kloosterleven in Europa.

Professie

Een kloosterling verplicht zich door het afleggen van kloostergeloften ofwel vota religiosaformeel tot het onderhouden van de evangelische raden van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid. Het plechtig afleggen van de geloften wordt professie genoemd. Bij de professie worden de geloften door de wettige overste van de kloostergemeenschap in naam van de Kerk aangenomen.



D. KLOOSTERGEBOUW

Clausuur

De vrijheid van kloosterlingen om hun verblijfplaats te verlaten en anderen er in toe te laten is van oudsher beperkt. De desbetreffende voorschriften en ook de ruimten binnen en bij het klooster die eronder vallen, worden 'clausuur' of 'slot' genoemd. Vandaar ook de naam klooster ofwel claustrum, dat letterlijk 'afgesloten ruimte' betekent. Monniken van een zogenoemde bedelorde houden zich echter vaak op in eenvoudige onderkomens in de steden, om daar in navolging van de apostelen acute pastorale zorg te verlenen. Van een klooster en clausuur in de traditionele zin is dan nauwelijks sprake.

Vijf ruimten

Een kloostergebouw bestaat, sinds de Regel van Benedictus maatgevend werd, doorgaans uit ten minste vijf ruimten: een kerk (oratorium), een slaapzaal (dormitorium), een eetzaal of refter (refectorium) met daarbij de keuken en toiletten, een gastenverblijf (cella hospitum) en een spreekkamer of porterie (portaria). Vanuit de spreekkamer wordt het contact met de buitenwereld onderhouden. In de loop der jaren werd het overigens gangbaar dat iedere kloosterling een eigen cel kreeg.

Kloostergang

De vijf vertrekken of vleugels van een klooster liggen rondom de kloostergang, het hart van het klooster. De kloostergang is een overdekte omloop rond een binnenplaats in het centrum van het klooster. De gang geeft toegang tot de verschillende vertrekken en vleugels van het klooster.



D. WERKEN EN BIDDEN

Ora et Labora

"Ledigheid is de vijand van de ziel", schrijft Benedictus in zijn Regula Monachorum (48,1). "Daarom dienen de broeders zich op bepaalde tijden bezig te houden met handwerk en op bepaalde andere uren met geestelijke lezing." Van Benedictus komt dan ook de beroemde uitdrukking ora et labora,ofwel 'bid en werk', die het kloosterleven in essentie typeert. Hoewel hij arbeid vooral ziet als voorwaarden scheppend voor het geestelijk leven, benadrukt Benedictus het belang ervan nog door te stellen dat "zij juist dan echte monniken zijn, als zij van het werk van hun handen leven zoals onze Vaderen en de apostelen" (Regula 48,8).

Getijden

Alle bezigheden in het klooster zijn onderhevig aan het strikte ritme van het Officie, dat op vaste tijden (getijden) wordt gebeden. Het Getijdengebed is volgens oude christelijke traditie zo ingericht, dat heel de loop van dag en nacht door de lofprijzing van God wordt geheiligd. De kloosterlingen komen voor het zingen van dit gebed steeds bijeen in het koor van de kloosterkerk. Eeuwenlang waren er acht verplichte getijden, maar sinds het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) behoeft er nog maar een minimum van vijf getijden te worden gebeden: MettenLauden, een van de drie middaggetijden (Terts, Sext, Noon), Vespers en Completen.

Gebed voor iedereen

In de vroegste eeuwen van het christendom waren overigens alle gelovigen dagelijks opnieuw tot gebed op geregelde uren bereid. Om ons een voorstelling te maken van de sterke greep die het geloof daarmee op het dagelijks leven had, hoeven we maar naar het gebedsritme van hedendaagse moslimgemeenschappen te kijken. Pas in de middeleeuwen vatte de gedachte post dat het getijdengebed enkel maar door kloosterlingen en priesters in hun koren gebeden hoefde te worden, in naam van heel de Kerk en alle gelovigen. 



E. VATICANUM II

Tweede Vaticaans Concilie

Het Tweede Vaticaans Concilie leert dat het leven volgens de evangelische raden vooral bedoeld is om in naam van de Kerk Christus aan de wereld te laten zien. Daarbij waarschuwt Vaticanum II voor het gevaar van wereldvreemdheid. "Niemand mag beweren, dat de religieuzen zich door hun toewijding van de mensen vervreemden en in de aardse maatschappij nutteloze schepselen worden." (Lumen Gentium 46). In de tijd van voor het concilie 'verliet' iemand die intrad in het klooster 'de wereld'. Hij of zij maakte zich los van 'wereldse' zaken, zoals seks, gezin en materieel bezit. Zo was de kloosterling in tegenstelling tot andere gelovigen geheel vrij om Christus na te volgen. Het concilie brak met deze negatieve kijk op de wereld. Niet langer werden kloosterlingen gezien als leden van een christelijke elite, maar als leden van het Volk Gods met een eigen roeping.

Uit- en intredingen

In veel kloosterorden en -congregaties leidde de nieuwe visie van Vaticanum II tot drastische hervormingen. De strenge kloostertucht werd gematigd. Het aggiornamento werd het meest zichtbaar in de kloosterkleding. Sommige zusters weigerden bijvoorbeeld nog langer gesluierd door het leven te gaan. De nieuwe tijdsgeest leidde desondanks tot massale uittredingen. Ook in Nederland waar het kloosterleven zeer bloeiend was geweest, was sprake van een grote uittocht en voelden steeds minder jonge mensen roeping tot het gewijde leven. Sommige kloosters moesten daarom worden gesloten. Toch behield het kloosterleven zijn aantrekkingskracht. Thans vinden vele zinzoekers rust en inspiratie in de tientallen abdijen die Nederland nog rijk is. In een enkel geval leidt dat zelfs tot een heuse kloosterroeping.