Leonardus Vechel (ca. 1527-1572), beter bekend als ‘Sint-Leonardus van Veghel’, is een van de negentien Heilige Martelaren van Gorcum.
Leonardus werd omstreeks 1527 geboren in ‘s-Hertogenbosch als zoon van de kaarsenmaker Goyard Peters Vechel (Vegchel). Vandaar dat zijn naam in documenten ook voorkomt als onder meer Leonart Peters Goyarts, Lenaert Goyaerts en Lenart Goyartss. De latere martelaar groeide op in de Postelstraat in ‘s-Hertogenbosch. Waar hij naar school ging is onbekend.
Leonardus studeerde vanaf 1545 aan de Universiteit van Leuven, waar hij op 31 maart 1547 de graad van Magister Artium (‘meester in de vrije kunsten’) behaalde. Waarschijnlijk is hij kort daarna gewijd tot priester voor het bisdom Utrecht. Aan het Leuvense Pauscollege studeerde hij theologie, waar hij in 1556 de graad van Licentiatus Sacrae Theologiae behaalde.
Na zijn afstuderen werd Leonardus door de bisschop van Utrecht aangesteld tot pastoor en kanunnik van de Collegiale Kerk van Sint-Maarten en Sint-Vincent in Gorcum (Gorinchem).
Aan het begin van de Nederlandse Opstand tegen koning Filips II van Spanje hielden protestantse opstandelingen (geuzen) zich op zee en binnenwateren op. Deze zogenoemde watergeuzen namen op 1 april 1572 de vestingstad Den Briel (Brielle) op het Zuid-Hollandse eiland Voorne in. Vanaf daar veroverden zij Dordrecht en vervolgens ook het verder landinwaarts gelegen Gorcum aan de Merwede.
Ongeveer 150 watergeuzen, die onder het bevel stonden van de uit Zeeuws-Vlaanderen afkomstige Marinus Brandt, kwamen in Gorcum aan op 25 juni 1572. Na twee dagen gaven de Spanjaarden zich over. De watergeuzen plunderden de stad en merkten iedereen die rooms-katholiek was aan als collaborateur van de Spaanse overheersers.
Meteen na de inname van Gorcum werden enkele geestelijken die zich hadden verschanst op de burcht De Blauwe Toren, onder wie pastoor Leonardus, gevangengenomen. Zij werden door de watergeuzen beschimpt en mishandeld. Leonardus kreeg één keer de kans om via Woudrichem naar zijn geboorteplaats ‘s-Hertogenbosch uit te wijken. Die kans greep hij, maar hij werd echter op opnieuw gearresteerd en naar Gorcum teruggebracht.
In de nacht van 5 op 6 juli 1572 werd de groep geestelijken en religieuzen via Dordrecht afgevoerd naar Den Briel, waar zij opnieuw werden opgesloten. Ditmaal ondergingen zij ook gruwelijke folteringen. Daar kwam een einde aan toen Willem II van der Marck, opperbevelhebber van de watergeuzenvloot, het bevel gaf de geestelijken en religieuzen dood te maken. Negentien van hen, onder wie pastoor Leonardus, werden opgehangen in de turfschuur van het verwoeste Sint-Elisabethklooster van Rugge bij Den Briel.
In 1675 werden de Martelaren van Gorcum zaligverklaard en pas in 1867 heiligverklaard. In Leonardus’ geboortestad waren de inwoners trots op hun heilige mede-Bosschenaar. Men gaf kunstenaar Jos Graven de opdracht een beeld van hem te maken. Graven aanvaardde die opdracht. In 1872 werd het Leonardusbeeld geplaatst onder een getordeerde baldakijn aan een van de vieringspijlers van de Bossche Sint-Janskathedraal. Tevens werd het zijaltaar onderaan die pijler aan Sint-Leonardus van Veghel toegewijd. Na het Tweede Vaticaans Concilie werd dat altaar verwijderd.
Er werden in Nederland meerdere kerken en kapellen aan de heilige Leonardus gewijd, zoals in De Lier (Zuid-Holland), Helmond en ‘s-Hertogenbosch.
Op godsdienstige afbeeldingen van Sint-Leonardus is hij gekleed in toog en superplie met daarover een stola. Zijn attributen variëreren van een martelaarspalm en een crucifix tot een miskelk of een strop.