Logos

Het Griekse begrip Logos kan onder meer getal, woord, rede, ratio, wetmatigheid, uitspraak en redenering betekenen. Sommige antiek-filosofische scholen gebruikten het woord als aanduiding voor het vormend oerprincipe van de kosmos of voor het Intellect van God. Het begrip Logos speelt een grote rol in de christologie, de leer over Christus. Dat komt omdat Christus in het Johannes-evangelie de Logos genoemd wordt.

Rede en reden
Het Griekse woord λογος (logos) is een complex begrip met veel betekenissen. Het is verbonden met het werkwoord legein, dat onder meer 'verzamelen', 'ordenen', 'spreken', 'lezen', 'noemen' en 'berekenen' betekent. In het Nederlands kan logos kan vertaald worden met 'rede'. Deze vertaling is aardig getroffen omdat het zowel op het spreken (redevoeren) als op het denken (redeneren) duidt. Toch dekt 'rede' niet de hele lading, want logos kan ook 'reden' betekenen, in de zin van 'motief', 'motivering', 'verklaring' en 'rekenschap'.

Heraclitus
In de antieke wijsbegeerte is λογος een belangrijke vakterm. De eerste presocratische filosoof die er gebruik van maakte was Heraclitus van Efeze (6e en 5e v.Chr.). Volgens hem kan de logos 'gehoord' worden, maar wordt hij door de mensen niet begrepen. Alle dingen zijn in overeenstemming met de logos (Fragment 1). De logos is bij Heraclitus het ene kosmische principe dat alles bepaalt en verklaart. De logos is god, die de tegengestelden op elkaar betrokken houdt. 'God is dag en nacht, winter en zomer, oorlog en vrede. Hij neemt verschillende vormen aan; net als vuur dat - wanneer het met aroma's wordt vermengd - de naam van hun geur krijgt' (fr. 67). Deze god is de Archè, het oerprincipe waarop alles terug te voeren is.

Aristoteles
Bij Plato (ca.427-347 v.Chr.) en Aristoteles (384-322 v.Chr.) vormt de logos het wezen van de mens. In tegenstelling tot andere dieren beschikt de mens over logos. De mens is een zo'on logikon, schrijft Aristoteles, meestal vertaald met 'redelijk dier'. Logikon ('op de logos betrekking hebbend') betekent hier naast 'denkend' ook 'evenwichtig handelend'. De logos stelt de mens in staat zijn doel (gelukkig te worden) te bereiken door een juiste balans tussen uitersten te kiezen. Voor het beoefenen van deugd is logos nodig, aldus Aristoteles. Daarnaast is de logos ook het vermogen van de mens om de werkelijkheid in taal te vatten. Een uitspraak die men over een toestand doet – 'propositie' in de moderne logica – heet bij Aristoteles een logos.

God van de Stoa
De filosofische stroming van de Stoa onderging grote invloed van de natuurfilosofie van Heraclitus. Volgens de stoïcijnen was al het werkelijke, stoffelijk van aard. Het bestond uit zowel onbepaalde, passieve materie als een actieve, vormende kracht. De laatste werd logos genoemd. De logos is God, die schept en tot leven wekt. Hij werd ook wel de logos spermatikos genoemd: 'de kiemkrachtige rede'. Echter, de god van de Stoa valt samen met de natuur. Hij is dus niet transcendent maar immanent. De logos is het allesbepalende. Hij is het zijnde en het goede. Het kwaad ontstaat door mensen die niet conform de logos willen leven.

Seneca
Ook vertegenwoordigers van de Nieuwe Stoa hebben zich over de logos uitgelaten. Arius Didymus (1e eeuw v.Chr.) zou gezegd hebben: 'Tussen goden en mensen bestaat iets gemeenschappelijks omdat ze allen deelhebben aan de logos, die immers het ontstaansbeginsel van de Kosmos is' (aangehaald door Eusebius van Caesarea, 4e eeuw, in zijn boek Praeparatio evangelica). De Romeinse filosoof en staatsman Seneca (gestorven in 65 n.Chr) heeft iets soortgelijks beweerd. Hij vertaalde logos met ratioRatio vero dis hominibusque communis est ('de ratio hebben goden en mensen gemeen'). 'De goddelijke ratio is volmaakt, de menselijke is te vervolmaken', aldus Seneca in Epistolae morales ad Lucilium (XCII, 27). Keizer en stoïcijn Marcus Aurelius (121-180) zegt min of meer hetzelfde in Ad se ipsum,VII 53.

Philo van Alexandrië
Philo van Alexandrië (ca.30 v.Chr.-ca.50 n.Chr.) was een gelovige jood in een hellenistische wereld. Hij wilde de joodse godsleer aan de heidenen uitleggen aan de hand van het wijsgerige jargon van zijn tijd. Hij meende dat filosofen als Heraclitus en Plato beïnvloed waren door de Tora. God was voor Philo een alles overstijgende werkelijkheid die voor de menselijke rede niet te bevatten is. Deze God heeft zich een goddelijk evenbeeld verwekt. Philo gebruikt voor dit evenbeeld het begrip logos als het equivalent van het Hebreeuwse dabar, dat 'woord' betekent. Opvallend is dat Philo de logos 'de eerstgeboren Zoon van God' noemt. De logos is niet alleen een afspiegeling van God maar ook het oerbeeld van alle zichtbare schepselen. Die vormen samen de kosmos, de 'tweede Zoon van God'. Om met Plato te spreken: in de Logos bevinden zich de Ideeën, de eeuwige archetypen van alles wat er in de kosmos is. Wie kennis neemt van de dingen, kan de Ideeën erachter kennen en daarmee ook de Logos. Kennis van de Logos leidt volgens Philo niet tot kennis van God, maar slechts tot het besef dát God is. Wát of wie God is kan slechts geweten worden door mensen die begenadigd worden door God zelf, zoals de Profeten.

Johannes-evangelie
De Proloog van het Johannes-evangelie vertoont veel raakvlakken met de godsleer van Philo. Volgens Johannes is Christus de Logos, echter niet de eerstgeboren Zoon van God, maar de 'eniggeboren Zoon'. Het eerste vers van dit evangelie luidt in de oorspronkelijke tekst:

En archè èn ho logos kai ho logos èn pros ton theon kai theos èn ho logos.

De Latijnse vertaling van Sint Hiëronymus (Vulgaat) van dit vers luidt:

In principio erat verbum, et verbum erat apud Deum, et Deus erat verbum.

De Willibrordvertaling (versie 1995) volgt de Vulgaat: 'In het begin was het woord, en het woord was bij God, en het woord was God'. Logos wordt hier vertaald met verbum, dat 'woord' betekent. We hebben gezien dat 'woord' de rijke lading van logos niet dekt. Desiderius Erasmus (1469-1536) vertaalde logos in de Johannes-proloog met sermo, dat naast 'woord' ook 'gesprek', 'intellectuele dialoog', 'redevoering' en 'taalgebruik' kan betekenen. Maar ook met sermo blijft buiten beeld dat logos ook ratio kan betekenen en in heraclitische, stoïcijnse zin ook een aanduiding is van het 'alles bepalende principe'.

Sint Justinus
In de vroeg-christelijke traditie was het vooral Justinus de Martelaar (gestorven ca. 165) die over de Logos geschreven heeft. Dat deed hij in enkele geschriften waarin hij het christelijk geloof verdedigt. Justinus zegt: 'De Logos was al vóór de wereldordening in de Vader, maar werd pas geboren toen God alles ordende: de Logos heet Christus' (Apologia duae II 6). Justinus beschouwt de Logos als het goddelijke instrument waarmee God de Vader de kosmos schiep. Hij noemt de Logos de 'eerste kracht' en de 'eeuwige wet' van de kosmos.

Brief aan Diognetus
In het Griekstalige geschrift Brief aan Diognetus (2e eeuw) sluit de anonieme auteur zich aan bij het Johannes-evangelie. Ook hij beschouwt de incarnatie van de Zoon als het zwaartepunt van de Verlossing. De brenger van de goddelijke waarheid is niet 'een of andere dienaar, een engel, een hemelvorst of een van hen aan wie bestuursmacht in de hemel is toevertrouwd', maar de Logos (hoofdstuk 7). Deze Logos is volgens de auteur de Schepper van het Heelal zelf. Door de Logos 'is alles vastgesteld en bepaald'. Aan Hem is 'alles onderworpen, de hemelen en wat in de hemelen, de aarde en wat op de aarde is'. 'Zoals een koning zijn koninklijke zoon zendt, zo zond Hij [de Vader] Hem [de Logos] als God; Hij zond hem als mens tot de mensen; Hij zond Hem om te redden, om te overtuigen, zonder geweld te plegen, want geweld is er niet bij God' (7:4).

School van Alexandrië
Volgens de christelijke filosoof Clemens van Alexandrië (ca.150-215) is God absoluut en transcendent. De mens is niet in staat op natuurlijke wijze kennis over Hem te verwerven. God, die echter gekend wil worden, heeft zich medegedeeld door middel van zijn Zoon, de Logos. Clemens' leerling Origenes (185/186-254/255) borduurt voort op de godsleer van zijn leermeester. God is verheven boven het Zijn en het Ene. De mens kan slechts zeggen wat God niet is. Kennis van God wordt verkregen via de Logos. God heeft alles door Hem geschapen. Wat de verhouding tussen de Vader en de Logos is, maakt Origenes niet duidelijk. In de Logos 'bevinden zich' de Ideeën, de Eeuwige Vormen achter de dingen. De kennis die de Logos van de Vader heeft, stelt Hem in staat geestelijke wezens voort te brengen. Die noemt Origenes logoi (meervoud van logos). Deze wezens hebben een vrije wil en nemen uit kracht van hun vrijheid hun eigen plaats in de hiërarchie der geesten in. Tot die logoi behoren ook de zielen van de mensen.

Benedictus XVI
Paus Benedictus XVI sprak over de Logos in de zogenoemde Regensburger Rede. Tijdens zijn bezoek aan Beieren richtte hij zich op 12 september 2006 tot de academische gemeenschap van de universiteit van Regensburg met als doel aan te tonen dat het christelijk geloof niet tegen de rede indruist maar juist redelijk is:

"God handelt συν λογω, 'met Logos'. Logos ist rede [Vernunft] en woord tegelijk: een die scheppend is en zich mededelen kan, maar wel als Rede. Johannes heeft ons daarmee het afsluitende woord van het bijbels Godsbegrip geschonken, waarin de vaak moeizame en kronkelende wegen van het bijbels geloof haar doel bereiken en hun synthese vinden. In het begin was de Logos en de Logos is God, zo zegt de evangelist. De ontmoeting van de bijbelse boodschap en het Griekse denken was geen toeval."

bronnen:

  • Johannes Hirschberger, Geschichte der Philosophie, 1976
  • Ferd. Sassen, Geschiedenis der Patristische en Middeleeuwse Wijsbegeerte, 1950
  • E. De Strijcker, Beknopte geschiedenis van de antieke filosofie, 1987
  • Charles Vergeer, Een verlies van vleugels. De filosofie in het oude Rome, 1995
  • Heraclitus of Ephesus, Fragments: the collected wisdom of Heraclitus, translated by Brooks Haxton, 2001
  • vatican.va
  • Novum Instrumentum, Erasmus, 1517
  • Vulgata, intratext.com/X/LAT0001.HTM
  • The Epistle of Mathetes to Diognetus, earlychristianwritings.com
  • De Apostolische Vaders, vert. D. Franses OFM, 1941