Nederlandse kerkgeschiedenis

De huidige indeling van Nederland in zeven bisdommen dateert van 1853. Tussen 1853 en 1963 emancipeerden de katholieken zich succesvol van de protestanten. Na 1963 ontstond verdeeldheid over de hervormingen van Vaticanum II. Deze bereikte rond 1985 een hoogtepunt en verdween daarna geleidelijk.

Kerkgeschiedenis in het licht van '150 jaar herstel'
Op 7 juni 2003 vierde de rooms-katholieke geloofsgemeenschap van Nederland samen met haar bisschoppen tijdens een groots opgezette, feestelijke bijeenkomst. De aanleiding tot dit feest vormde de honderdvijftigste verjaardag van de breve Ex qua die van 4 maart 1853, waarmee paus Pius IX opnieuw bisdommen instelde in Nederland. Deze gebeurtenis is bekend als het zogeheten 'herstel van de bisschoppelijke hiërarchie'.

Maastricht oudste bisschopszetel
Vóór 1853 hadden al eerder bisdommen in het gebied van het huidige Nederland bestaan. De oudste bisschopszetel was die van Maastricht, in het zuiden van het land. Al in de vierde eeuw vestigde bisschop Servatius van Tongeren zich in deze stad. Volgens de overlevering telde Maastricht in totaal tien heilige bisschoppen, totdat tegen het eind van de zevende eeuw de laatsten van hen, de bisschoppen Lambertus en Hubertus, de zetel verplaatsten naar Luik in het huidige België.

Willibrordus in Utrecht
Met de wijding in 695 van de geloofsverkondiger Willibrord tot bisschop van de Friezen kwam er ook een bisschopszetel in het noorden van het land, te Utrecht. Door de schaarste aan bronnen uit de vroege middeleeuwen is het aantal bisschoppen van Utrecht niet exact aan te geven. Maar zeker is dat de zetel bleef voortbestaan tot in de zestiende eeuw.

Nieuwe kerkelijke indeling
In 1559 werd een nieuwe kerkelijke indeling in de Nederlanden ingevoerd, bedoeld om de pastorale zorg beter te kunnen waarborgen en de hervormingen van het Concilie van Trente effectiever te kunnen doorvoeren, en zo beter weerstand te bieden tegen de opkomende Reformatie. In het noorden van de Nederlanden kwam er een kerkprovincie Utrecht, met ondergeschikte zetels te Middelburg, Haarlem, Deventer, Leeuwarden en Groningen. In het zuiden kwam de kerkprovincie Mechelen, die grotendeels het huidige België besloeg, maar waartoe ook twee bisdommen in het huidige Nederland behoorden: 's-Hertogenbosch en Roermond.

Opstand tegen Spanje
De Opstand van de Nederlandse gewesten tegen Spanje had tot gevolg dat de bisdommen in het noorden slechts een kort bestaan kenden. Tijdens de Opstand onder leiding van onder anderen Willem van Oranje werd namelijk al snel gekozen voor het Calvinisme als de bevoorrechte en later zelfs de enige in het openbaar toegelaten confessie. Vanaf 1581 werden aan de publieke uitoefening van het katholicisme zware beperkingen opgelegd. De bisschopszetels van de kerkprovincie Utrecht waren daardoor tegen het eind van de zestiende eeuw allemaal vacant.

Hollandse Zending
De katholieke kerk in Nederland werd een missiekerk, de Missio Hollandica. Zij kende geen bisdommen en parochies meer, alleen nog vicariaten en staties. In de zeventiende eeuw kwam het overwegend katholieke Brabant in dezelfde situatie te verkeren. Alleen het bisdom Roermond hield het vol tot het jaar 1801, toen het werd opgeheven ten gevolge van het Concordaat van de Heilige Stoel met Napoleon.

Verstild katholicisme
Afhankelijk van de tolerantie van de plaatselijke overheid kon het kerkelijk leven met meer of minder succes wel doorgang vinden. Maar het kon zich naar buiten toe nauwelijks manifesteren: geen processies en geen bedevaarten, geen barokke kerken, geen kerkelijke pracht en praal, geen openbare werken van caritas en diaconie. Het katholicisme in Nederland kreeg een naar binnen gekeerd karakter. Het uitte zich binnen de beschermende muren van schuil- en schuurkerken. Het werd een verstild katholicisme.

Omwentelingen rond 1800
De omwentelingen rond 1800 brachten verandering. In 1796 werd in Nederland – tussen 1795 en 1805 de Bataafse Republiek geheten – de scheiding van kerk en staat afgekondigd. Dat betekende voor de calvinistische kerk het verlies van haar bevoorrechte positie. Voor de katholieke kerk betekende het dat zij zich in grotere vrijheid kon gaan uiten en organiseren. Vanaf 1798 kregen de katholieken daar waar zij de meerderheid van de bevolking vormden de mogelijkheid tot teruggave van de oude dorpskerken, die vanaf de zestiende eeuw in handen van de calvinisten waren gekomen. De katholieke emancipatie kon beginnen.

Ontplooiing
Het kerkelijk leven begon onder leiding van de nuntius en de aartspriesters tot ontplooiing te komen. Er werden katholieke tijdschriften en uitgeverijen opgericht en katholieke scholen. Katholieke intellectuelen kwamen aan het woord, zoals de katholiek geworden predikantszoon Joachim George le Sage ten Broek. Maar nog steeds was de katholieke kerk in Nederland georganiseerd als een missiekerk.

Koninkrijk der Nederlanden
Na moeizame onderhandelingen kwam in 1827 een concordaat tot stand tussen de Heilige Stoel en het Koninkrijk der Nederlanden, dat toen zowel Nederland als België omvatte. Dit concordaat maakte in beginsel ook het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in het noorden mogelijk; er zouden bisdommen opgericht worden in Amsterdam en 's-Hertogenbosch. Maar de tegenwerking van koning Willem I en van protestantse politici zorgde er voor dat het concordaat niet meteen werd uitgevoerd.

Willem I
Onder meer uit onvrede met de anti-katholieke politiek van de koning scheidde het Zuiden zich in 1830 af; het koninkrijk België ontstond. In het noordelijke deel dat als Nederland overbleef, vormden katholieken niet langer de meerderheid van de bevolking. Gevolg was dat het concordaat van 1827 slechts papier bleef. Zo ging koning Willem I door met grote beperkingen op te leggen aan het kloosterleven en trachtte hij ook greep te krijgen op de opleiding van de katholieke clerus.

Willem II en Zwijssen
Verbetering kwam er tijdens het korte bewind van zijn zoon, koning Willem II, tussen 1840 en 1849. Willem II hield regelmatig verblijf in het katholieke Brabant en was daar in Tilburg bevriend geraakt met de molenaarszoon en pastoor Joannes Zwijsen. Al op de dag van zijn inhuldiging als nieuwe koning maakte Willem II een einde aan de beperkende wetgeving voor de kloosters. Oude beschouwende ordes konden terugkeren in Nederland, nieuwe congregaties konden er gesticht worden.

Liberale grondwet
Koning Willem II liet in 1848 een liberale grondwet tot stand komen, die de laatste beperkingen voor katholieken wegnam. De weg was toen eindelijk vrij voor het herstel van de bisschoppelijke kerkstructuur in Nederland.

Herstel van de hiërarchie
Met de breve Ex qua die van 4 maart 1853 stelde paus Pius IX (1846-1878) opnieuw bisdommen in Nederland in. De missiekerk werd een volwaardige kerk, met bisschoppen in plaats van vicariaten en met parochies in plaats van staties. De aartsbisschoppelijke zetel werd uit eerbied voor de heilige Willibrord in Utrecht gevestigd. Verder kwamen er bisdommen in Haarlem, Breda, 's-Hertogenbosch en Roermond. Deze indeling bleef ongewijzigd tot 1956, toen de nieuwe bisdommen Groningen en Rotterdam werden opgericht.

Zwijssen aartsbisschop
Joannes Zwijsen, de vriend van de inmiddels overleden koning Willem II, werd aartsbisschop van Utrecht en tegelijk administrator van zijn bisdom van herkomst, 's-Hertogenbosch. Met recht is hij door zijn biograaf betiteld als 'de bouwer aan de Kerk in Nederland'. Tot zijn overlijden drukte hij een sterk stempel op het kerkelijk leven in het hele land. In Haarlem werd de erudiete seminariepresident Franciscus van Vree bisschop, in Breda en Roermond werden de vicarissen Joannes van Hooydonk en Joannes Augustinus Paredis tot bisschop verheven.

Aprilbeweging
Het herstel van de bisdommen leidde in een deel van protestants Nederland tot felle protesten. Sommigen konden zich niet neerleggen bij het gegeven dat Nederland geen protestantse natie was, anderen vreesden de invloed van de paus als buitenlands staatshoofd. Ook waren er die zich opwonden over het feit dat paus Pius IX in de breve van 1853 had gezegd dat het protestantisme in Nederland 'onkruid had gezaaid tussen de tarwe'. In de maand april van dat jaar ontstond er een petitiebeweging, de zogenoemde Aprilbeweging, die 200.000 handtekeningen verzamelde tegen het herstel van de bisschoppelijke kerkstructuur. In sommige steden werden katholieke geestelijken op straat bespot en werd katholiek personeel ontslagen. Koning Willem III nam de handtekeningen van de Aprilbeweging in ontvangst en beledigde daarmee zijn eigen kabinet, dat dan ook aftrad. Maar de herstelde bisdommen werden niet bedreigd. Het kerkelijk leven kon zich gaan ontplooien op de wijze en in de organisatievorm die eigen is aan de katholieke Kerk, onder de herderlijke leiding en inspiratie van bisschoppen.

Missiekerk wordt missionaire kerk
In de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw kwam in Nederland een bloeiend kerkelijk leven tot stand. De periode 1860-1960 wordt ook wel de tijd van het Rijke Roomse Leven genoemd. Vele nieuwe congregaties voor vrouwelijke en mannelijke religieuzen werden in die tijd op Nederlandse bodem gesticht. Het katholicisme, dat nog maar een halve eeuw eerder georganiseerd was geweest op de wijze van een missiekerk, werd nu sterk missionair. Dat missionaire élan kwam aan de wereldkerk ten goede. In de eerste helft van de twintigste eeuw vertrokken duizenden Nederlandse priesters, paters, broeders en zusters om als missionaris ver van hun geboorteland te gaan werken. Nederland werd het land dat relatief het grootste aantal missionarissen aan de wereldkerk schonk. Nog rond 1960 was van elke negen missionarissen die wereldwijd werkzaam waren, er één uit het kleine Nederland afkomstig.

Strijdbaar en goed georganiseerd
Het missionaire engagement richtte zich ook op het eigen land. Het drukte zich daar uit in tal van organisaties en bewegingen waarin katholieken, met name ook lekengelovigen, hun bezielde engagement konden uitdragen. Zij waren werkzaam op het terrein van onderwijs en verpleging, van caritas en samenleving, van cultuur en ontspanning, van media en vakbeweging. Het Nederlandse katholicisme vertoonde een hoge organisatiegraad en was strijdbaar.

'Koppig katholicisme'
Toen de jonge Poolse priester Karol Wojtyla als Romeinse theologiestudent in 1947 een reis door Nederland maakte, verbaasde hij zich daar over wat hij 'koppig katholicisme' noemde. Hij verklaarde dat als voortkomend uit de wedijver met de protestanten. Aan die wedijver ontleende het Nederlandse katholicisme zijn grote dadendrang en zijn hang naar een hechte en gesloten organisatiegraad. Terwijl katholieken in Frankrijk, waar de latere paus eerst doorheen was gereisd, op zoek gingen naar de spiritualiteit van de christelijke arbeid, zetten de Nederlanders, zo noteerde hij, 'gewoon een eigen katholieke vakbeweging op poten'.

Geslaagde emancipatie
In de jaren zestig van de twintigste eeuw leek de katholieke emancipatie in Nederland een verzadigingspunt bereikt te hebben. Het doel – volwaardige deelname van katholieken aan de samenleving – leek bereikt te zijn. Veel katholieke organisaties raakten in onzekerheid over hun identiteit. Het hoge welvaartspeil dat in het naoorlogse Nederland werd bereikt, ondermijnde de vanzelfsprekendheid van kerk en geloof. Ontkerkelijking en secularisering grepen snel om zich heen, met als gevolg dat Nederland tot de meest geseculariseerde landen ter wereld behoort.

Interne verdeeldheid
Velen in Nederland voerden de hervormingen van het Tweede Vaticaans Concilie op een nogal eigenzinnige wijze door, waardoor er spanningen ontstonden met de leiding van de Wereldkerk. Ook in die spanningen toonden Nederlandse katholieken dezelfde koppigheid die Karol Wojtyla in 1947 al had waargenomen. Het gevolg was een heilloze polarisatie, die een verlammende uitwerking had op het kerkelijk leven. De verdeeldheid bereikte in 1985, bij het bezoek van de paus aan Nederland, een hoogtepunt, om daarna geleidelijk te verdwijnen.

Katholiek met hart en ziel
Inmiddels is de interne verdeeldheid van de Nederlandse geloofsgemeenschap grotendeels geschiedenis. Er is een generatie katholieken in Nederland opgegroeid die aan de polarisatie voorbij is. Jonge geëngageerde katholieken hebben geen behoefte meer aan partijstrijd en verdeeldheid. Zij hebben daarentegen wel een grote honger naar spiritualiteit en authentiek kerkelijk leven. Het nieuwe engagement stond centraal in de viering waartoe de Nederlandse bisschoppen hun gelovigen op 7 juni 2003 uitnodigden. Het werd uitgedrukt in het motto 'Katholiek met hart en ziel'. Om bewogenheid en inspiratie ging het: om tekenen van hoop en kiemen van nieuw leven.

Auteur: prof. dr. Peter Nissen

De oorspronkelijke versie van bovenstaande tekst werd door prof. Nissen geschreven op verzoek van L'Osservatore Romano en heeft op 2-3 juni in de Italiaanse dageditie gestaan (Il Giubileo della Chiesa cattolica nei Paesi Bassi. 150 anni di consapevolezza come Provincia ecclesiastica) en op 6 juni in de Duitse weekeditie (Jubiläum der katholischen Kirche in den Niederlanden. 150 Jahre selbstbewusste Kirchenprovinz). De tekst is bovendien afgedrukt in het programmaboekje van de viering 'Katholiek met hart en ziel' (7 juni 2003).