De Paastijd is de vijftigdaagse periode die begint in de Paasnacht en eindigt op het hoogfeest van Pinksteren. In de liturgie van de Paastijd staat de vreugde om de Verrijzenis van Christus centraal.

De Paastijd is liturgisch gesproken een 'sterke tijd'. De Kerk kent vier sterke tijden: de Advent, de Kersttijd, de Veertigdagentijd en de Paastijd. Deze tijden heten sterk, omdat ze worden gedomineerd door één gedachte: de komst van de Messias in de Advent; de Menswording van God in de Kersttijd; de noodzaak tot bekering in de Veertigdagentijd; en de Verrijzenis van Christus in de Paastijd.

Zeven weken

De Paastijd duurt vijftig dagen. Deze periode is overgenomen van de joodse feestkalender. Het Israëlitische oogstfeest Sjavoeot (Hebreeuws voor 'Wekenfeest') moest volgens de Tora zeven weken (7 maal 7 dagen) na Pesach gevierd worden. In de christelijke kalender wordt zeven weken na Pasen het hoogfeest van Pinksteren gevierd. De naam Pinksteren is afgeleid van het Griekse pentèkostè, dat 'vijftigste' betekent. Pinksteren betekent dus eigenlijk Vijftigste Paasdag.

Beloken Pasen

De Paastijd begint op Paaszondag. Dat is de eerste dag van het octaaf van Pasen (Paasoctaaf), dat wordt besloten met de Tweede Zondag van Pasen, die in het Nederlands Beloken Pasen heet. De Zevende Zondag van Pasen is Pinksteren.

Lezingen

Gedurende de Paastijd wordt in de eucharistie gelezen uit de Handelingen der Apostelen en het Johannes-evangelie. Het eerste bijbelboek vertelt over het ontstaan van de jonge Kerk, de gemeenschap van mensen die in de Verrijzenis van Christus geloofden; in het tweede boek spreekt Christus over Zichzelf als bron van het nieuwe leven.

Liturgische kleur

De liturgische kleur van de Paastijd is over het algemeen wit. Dat betekent dat de voorgangers in de vieringen gekleed gaan in witte of gouden gewaden. De kleur van Pinksteren is echter rood, dit als symbool voor het vuur en de begeestering van de Heilige Geest, die zeven weken na de Verrijzenis op de Apostelen neerdaalde.