Een parochievicaris (Latijn: vicarius paroecialis) is een rooms-katholieke priester, werkzaam in een parochie als medewerker van de pastoor in wiens pastorale zorg hij deelt.

De term vicaris (Latijn voor ‘plaatsvervanger’) duidt erop dat hij bij afwezigheid van de pastoorleiding geeft aan het bestuur en het pastoraat in de parochie.

Kapelaan

In Nederland wordt de parochiesvicaris sinds de napoleontische tijd ook wel ‘kapelaan’ genoemd; in Vlaanderen is de term ‘onderpastoor’ gangbaar.

De functie van de parochievicaris staat beschreven in de canones 545 tot en met 552 van de Codex van Canoniek Recht (wetboek van de Katholieke Kerk).

Parochievicarissen worden door de diocesane bisschop in een parochie benoemd nadat die de pastoor en de deken heeft gehoord. "Zo dikwijls het voor het behoorlijk vervullen van de pastorale zorg over de parochie noodzakelijk of gewenst is, kunnen aan de pastoor een of meerdere parochievicarissen worden toegevoegd (..)", staat er in canon 545, paragraaf 1.

In het Rijke Roomse Leven was het heel normaal dat een pastoor meerdere kapelaans had. Vanwege het huidige priestertekort in Nederland blijven jonge priesters na hun wijding slechts kort parochievicaris.