Een penitentie is een boete die een gelovige door een biechtvader wordt opgelegd.
Het Nederlandse woord ‘penitent’ is overgenomen uit het Frans: pénitence. Dat komt van het Latijnse zelfstandig naamwoord pænitentia, dat ‘berouw’ betekent. Het bijbehorend werkwoord pænitere (‘berouw hebben’) betekende mogelijk oorspronkelijk ‘niet genoeg zijn’, aangezien het is afgeleid van pæne (= ‘bijna’). Lang werd gedacht dat pænitere zou zijn afgeleid van pœna (= ‘pijn’, ‘straf’, ‘boete’), maar dat is niet zo. Dat verklaart wel waarom pænitentia vanaf de late oudheid ook als pœnitentia werd geschreven.
Vanaf de late oudheid kreeg pænitentia, dat oorspronkelijk ‘berouw’ betekende, een nieuwe betekenis die meer leek op die van pœna. Een penitentie werd de boetedoening die de berouwvolle penitent opgelegd kreeg alvorens vergiffenis te krijgen.
In het Wetboek van Canoniek Recht van 1983 zegt canon 981 over de penitentie: Overeenkomstig de aard en het getal van de zonden, maar rekening houdend met de situatie van de boeteling, dient de biechtvader een heilzame en passende penitentie op te leggen; de boeteling is verplicht deze persoonlijk te volbrengen.
Opmerkelijk is dat de Latijnse tekst niet het woord pænitentia gebruikt maar satisfactio (= ‘genoegdoening’).
De oplegging van de penitentie behoort tot de viering van het boetesacrament (Latijn: sacramentum pænitentiæ). Gewoonlijk bevat die de volgende elementen: de priester begroet en zegent de boeteling, hij leest het woord van God om het geweten te verlichten en het berouw op te wekken en spoort hem aan tot berouw; de biecht waarbij de boeteling zijn zonden ten overstaan van de priester erkent en belijdt; de priester legt de penitentie oftewel de genoegdoening op die door de boeteling ook wordt aanvaard; de priester geeft de absolutie en tenslotte volgen de lofprijzing, dankzegging en de wegzending met de zegen van de priester.
De Catechismus van de Katholieke Kerk legt de penitentie oftewel de voldoening uit in de alinea’s 1459 en 1460:
Vele zonden berokkenen aan de naaste schade. Men moet al het mogelijke doen om deze schade te herstellen (bijvoorbeeld door gestolen goed terug te geven, de goede naam te herstellen van iemand die het slachtoffer is van laster, verwondingen goed te maken). De rechtvaardigheid alleen al vereist dit. Maar de zonde kwetst en verzwakt bovendien de zondaar zelf, evenals zijn relatie tot God en de naaste. De absolutie neemt de zonde weg, maar maakt de wanorde die door de zonde veroorzaakt werd niet geheel ongedaan. Uit de zonde opgestaan moet de zondaar nog de volledige geestelijke gezondheid herwinnen. Hij moet dus nog iets meer doen om zijn zonden goed te maken: hij moet op geëigende wijze ‘voldoening schenken’ of zijn zonden ‘uitboeten’. Deze voldoening wordt ook ‘penitentie’ genoemd.
De voldoening (penitentie) die de biechtvader oplegt, moet rekening houden met de persoonlijke situatie van de boeteling en gericht zijn op diens geestelijk welzijn. Zij moet zo goed mogelijk in verhouding staan tot de zwaarte en de aard van de bedreven zonden. Ze kan bestaan uit gebed, een gift, werken van barmhartigheid, dienst aan de naaste, vrijwillige verstervingen, offers en vooral uit het geduldig aan vaarden van het kruis dat ons te dragen wordt gegeven. Dergelijke boetedoeningen helpen ons gelijkvormig te worden aan Christus, die als enige eens voor altijd onze zonden heeft uitgeboet. Boetedoeningen staan ons toe mede-erfgenamen van de verrezen Christus te worden, “daar wij delen in zijn lijden” (Rom. 8,17).