Premonstratenzers

De Orde der Reguliere Kanunniken van Prémontré, in 1121 gesticht door Sint Norbertus van Gennep, bestaat uit priesters, diakens, broeders, zusters en novicen. In 2012 telde de orde iets meer dan 1.300 leden.

Prémontré
Sint Norbertus (ca. 1080 – 1134) stichtte een gemeenschap van clerici in Prémontré (Noord-Frankrijk). Deze werd in 1126 door de paus goedgekeurd als kloosterorde. De leden ervan worden naar de naam van hun eerste klooster 'premonstratenzers' genoemd. Hun officiële Nederlandse naam luidt Orde der Reguliere Kanunniken van Prémontré. Hun Latijnse naam Candidus et Canonicus Ordo Praemonstratensis ('Witte en Canonieke Orde van Prémonstré'), naar het witte habijt dat deze kanunniken (canonici) dragen. Kanunniken of kapittelheren zijn clerici die aan een kapittelkerk verbonden zijn om er gezamenlijk de liturgie te vieren.

Liturgie en evangelisatie
Premonstratenzers leven volgens de Evangelische Raden: armoede, celibaat en gehoorzaamheid. In tegenstelling tot monniken gaat het bij mannelijke premonstratenzers niet alleen om contemplatie maar ook om evangelisatie en de dienst aan de plaatselijke kerk, zoals het parochiepastoraat. Zij leven dus zoveel mogelijk in gemeenschap, maar werken vaak buiten hun klooster. De vrouwelijke premonstratenzers (norbertinessen), wier leven is gewijd aan de liturgie, leiden een meer monastiek bestaan.

GESCHIEDENIS

Sint Norbertus
De jonge edelman Norbertus van Gennep was seculier kanunnik van de Sint-Victorkerk van Xanten. Hoewel hij tot subdiaken was gewijd was hij niet van plan een geestelijk leven te leiden. Rond 1109 kreeg hij als clericus een aanstelling aan het hof van aartsbisschop Frederik van Keulen en een jaar later aan het hof van Hendrik V, keizer van het Heilig Roomse Rijk. Aan het liederlijke leven van Norbertus kwam in 1115 een einde toen hij tijdens een onweer van zijn paard werd geworpen. Hij bekeerde zich, deed boete en trok zich aanvankelijk terug in eenzaamheid. Ervan overtuigd geraakt dat het apostolaat zijn roeping was, smeekte hij zijn aartsbisschop hem op één dag zowel tot diaken als priester te wijden. De aartsbisschop stemde daarmee in en vanaf dat moment begon Norbertus een apostolisch leven te leiden. In 1118 kreeg hij van paus Gelasius II de licentie om als rondtrekkend prediker op te treden.

Volgelingen
In januari 1120 vestigde Norbertus zich in het woud van Coucy (Picardië) op een plek die Prémontré werd genoemd. Een maand later voegde een aantal studenten van de kapittelschool van Laon zich bij hem om er zijn leven van armoede en gebed te delen. Norbertus wilde in Prémontré een kerk bouwen en ging in Keulen op zoek naar relieken voor het altaar. In Keulen vond hij de resten van Sint Gereon, een martelaar uit de 4e eeuw. Ook kreeg hij een aantal nieuwe volgelingen. Gezamenlijk trokken zij met een deel van de relieken terug naar Prémontré. Onderweg ontmoetten zij de graaf en gravin van Namen die aan Norbertus het landgoed Floreffe schonken met de bedoeling daar een abdij te stichten.

Regel van Augustinus
Tijdens het paasfeest van 1120 besloten Norbertus en dertien van zijn volgelingen om de Regel van Augustinus als leidraad voor hun kloosterlijk bestaan te kiezen. Daarom noemden zij zich Reguliere Kanunniken van Prémontré (Latijn: Praemonstra). Als kanunniken beloofden zij de Eucharistie en het Getijdengebed dagelijks op waardige wijze te celebreren. In de kerstnacht van 1121 deden dertig 'premonstratenzers' hun plechtige geloften om een evangelisch leven te leiden. Deze datum geldt als het officiële begin van de norbertijner orde. Als kloosterdracht werd een wit habijt gekozen, omdat zij boodschappers van de Verrijzenis wilden zijn. In 1126 was Norbertus naar Rome gereisd waar paus Honorius II hem de bul overhandigde met daarin de apostolische erkenning van de nieuwe kloosterorde.

Verbreiding
Norbertus stichtte bij leven een aantal kloosters, zoals de abdij van Cappenberg, de Sint-Michelsabdij van Antwerpen, en de abdijen van Pöhlde en Gottesgnaden. Na zij dood 1134 verspreidde zijn orde zich snel over Europa. Dat gebeurde door nieuwe kloosterstichtingen maar ook door opnames van bestaande kapittels en gemeenschappen in de orde. Naast verbreidingen in de Lage Landen, Frankrijk en Duitsland drongen de norbertijnen ook door tot Polen, Bohemen en Hongarije en zuidwaarts tot Italië, Spanje en Portugal. Tijdens de Kruistochten werden stichtingen gedaan in Griekenland, Cyprus en het Heilig Land. Ook noordwaarts rukte de orde op: Engeland en Scandinavië. In het oosten geraakten zij tot Estland en Letland.

Norbertinessen
De Franse edelvrouw Ricvera van Clastres vroeg eens aan Sint Norbertus hoe zij haar leven in dienst kon stellen van God. Hij zei haar dat zij eens aan het hoofd zou staan van een groep vrouwen die zich bij de kanunniken van Prémontré zouden voegen. Dat werd het begin van de vrouwelijke tak van de orde: de norbertinessen. Zij ondersteunden het apostolisch werk van de norbertijnen met gebed. Zo ontstonden de zogenoemde dubbelkloosters: één kloostercomplex met twee van elkaar gescheiden gemeenschappen, één voor mannen en één voor vrouwen. Het ordebestuur besloot echter dat de vrouwen hun eigen kloosters moesten hebben en rond 1200 waren er geen premonstratenzer dubbelkloosters meer.

Bloei, verval en wederopbloei
Het gouden tijdvak van de norbertijnen was de 12de en 13de eeuw. In die tijd werden vanuit de premonstratenzer abdijen parochies gesticht. Op het hoogtepunt had de orde ongeveer 620 zelfstandige kloosters, verdeeld over 32 provincies (circarieën). In de 14de eeuw had de orde sterk te lijden van epidemieën en oorlogen, maar ook van een zeker spiritueel verval. De grote klap kwam in de 16e eeuw tijdens de Reformatie, waar de orde nagenoeg verdween in Duitsland, Scandinavië en Engeland. De Contrareformatie legde de basis voor een nieuw elan. In 1582 werd Norbertus heilig verklaard en groeide de belangstelling voor de Augustijnse theologie en spiritualiteit, dus ook op het daarop gestoelde kloosterleven. Dat leidde tot een nieuwe bloei in Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en de Zuidelijke Nederlanden in de 17e en 18e eeuw. De Franse Revolutie maakte daar bruut een einde aan. Abdijen werden geplunderd en ontmanteld. Er was bijna niets meer over van de orde. Alleen in Oostenrijk-Hongarije bleef ze bestaan. Onder de daar aanwezige abdijen was die van Strahov in Praag, waar sinds 1627 het lichaam van Sint Norbertus werd bewaard.

Missie en Koude Oorlog
Toen in de 19e eeuw de regimes van Frankrijk en de Nederlanden voor meer godsdienstvrijheid zorgden, pakte een aantal bejaarde norbertijnen die de Franse Revolutie hadden overleefd het abdijleven weer op. Vanuit deze abdijen werden nieuwe stichtingen gedaan in Engeland, Ierland en Duitsland en rond 1900 zelfs in de Verenigde Staten en Australië. Ook werden er missionarissen uitgezonden naar Zuid-Amerika, Azië en Afrika. De 20ste eeuw werd een nieuwe bloeiperiode. Nog nooit was de verspreiding zo groot geweest. Het aantal roepingen steeg, er werden norbertijner scholen gesticht en de invloed van norbertijnen in de burgermaatschappij en de wetenschap was groot te noemen. Maar een nieuwe ramp voltrok zich na de Tweede Wereldoorlog toen de communisten in Oost-Europa de orde ophieven. Alle abdijen in Hongarije, Tsjecho-Slowakije en Roemenië werden gesloten. De norbertijnen werden er gedwongen voortaan als gewoon burger te leven. Na de instorting van het Warschau Pact en de omwentelingen die in genoemde landen hadden plaatsgehad, keerden de norbertijnen terug naar hun abdijen.

ORDESTRUCTUUR

Generaal kapittel
Zoals in de benedictijnse ordes zijn de meeste premonstratenzer kloosters abdijen, dat wil zeggen dat ze onder leiding van een abt staan. Naast abdijen bestaan er ook canonieën en priorijen. Alle abten en andere oversten van zelfstandige huizen komen eens in de zes jaar bijeen voor het generaal kapittel. Deze vergadering vormt het hoogste gezag van de orde. In de tijd tussen de generale kapittels wordt de orde bestuurd door de in Rome residerende abt-generaal en vier zogenoemde definitoren, dat zijn premonstratenzers die door het generaal kapittel zijn gekozen.

Circarieën
De orde is verdeeld over circarieën. Er zijn er (in 2012) zeven:

  • Circaria Anglica (Australië, Engeland, India, Ierland, Verenigde Staten)
  • Circaria Bohemica (Tsjechië, Slowakije)
  • Circaria Brabantica (Vlaanderen, Denemarken, Nederland, Zuid-Afrika)
  • Circaria Gallica (Wallonië, Canada, Congo, Frankrijk, Italië)
  • Circaria Germanica (Duitsland, Oostenrijk) 
  • Circaria Hungarica (Hongarije, Roemenië)
  • Circaria Portuguesa (Brazilië)
  • Extracircariale norbertinessen (Canonieën en priorijen in Duitsland, Hongarije, Nederland, Polen, Rusland, Slovenië, Spanje, Tsjechië, Verenigde Staten, Zwitserland)

Nederland en Vlaanderen
Hieronder de nog bestaande huizen van de orde in Nederland en Vlaanderen.
Abdijen:

  • Averbode (B)
  • Heeswijk (NL), Berne
  • Leuven, Park (B)
  • Postel (B)
  • Tongerlo (B)
  • Grimbergen (B)

Priorijen:

  • Brasschaat (NL), Sint-Michiel
  • Hierden (NL), De Essenburgh
  • Tilburg (NL), De Schans
  • Oosterhout (NL), Sint-Catharinadal (norbertinessen)
  • Veerle (B), Immaculata (norbertinessen)

Andere gemeenschappen:

  • Hierden (NL), Mariëngaard (norbertinessen)

LITURGIE

Norbertijner ritus
De norbertijnen hebben sinds hun oprichting hun eigen ritus gehad. Ze hadden hun eigen zang, een eigen misorde en een eigen officie. De bronnen van hun liturgische traditie waren onder andere de eredienst van de Abdij van Cîteaux (cisterciënzers) en die van de Maas- en Rijnstreek. Veel nadruk werd gelegd op de viering van het Paasmysterie. De laatste edities van ritualia van de zuivere premonstratenzer liturgie dateren van 1574 (Missaal) en 1578 (Brevier). Daarna werd de liturgie geleidelijk aangepast aan de Romeinse Ritus volgens de eisen van het Concilie van Trente. In de twintigste eeuw werd echter weer teruggegrepen op de oorspronkelijke ritus. Zo werd in 1902-03 de norbertijner zang in ere hersteld. Dat werd ondersteund door de uitgave van een graduale (1910), een processionale (1932) en een antiphonarium (1937). Door de ontwikkelingen na het Tweede Vaticaanse Concilie kwam een einde aan de oude premonstratenzer ritus. Omdat liturgie als een van de hoofdtaken van de kanunnikenorde werd beschouwd probeerde de premonstratenzers nieuwe liturgische vormen te vinden. Vooral de Abdij van Berne in Heeswijk werd een centrum van vernieuwing.

Kalender
Heiligen en zaligen op de norbertijnse liturgische kalender:

  • 14 januari: H. Godefridus van Cappenberg
  • 4 februari: H. Fredericus van Hallum
  • 10 februari: Z. Hugo 
  • 17 februari: H. Evermodus
  • 26 april: H. Ludolphus
  • 24 mei: H. Herman Jozef van Steinfeld
  • 6 juni: H. Norbertus
  • 15 juni: H. Isfridus
  • 9 juli: HH. Adrianus en Jacobus
  • 14 juli: Z. Hroznata
  • 13 augustus: Z. Gertrudis
  • 30 augustus: Z. Bronislava
  • 20 oktober: Z. Jacobus Kern
  • 26 oktober: H. Gilbertus
  • 14 november: H. Siardus van Friesland