Het Bijbelboek Psalmen bevat 150 gedichten van diverse genres. Zij worden beschouwd als de gebeden bij uitstek. In de joodse en christelijke eredienst spelen de psalmen een belangrijke rol.

Lofliederen

In het Hebreeuws worden de Psalmen tehillim genoemd, in het Nederlands te vertalen met: 'lofliederen'. Uit deze titel blijkt dat een bepaald soort psalmen, namelijk de lofliederen of hymnen, door de naamgevers als toonaangevend werd beschouwd.

Snaarinstrument

Ons woord 'psalmen' is van Griekse oorsprong. Het is afgeleid van een werkwoord dat betekent: 'spelen op een snaarinstrument'. De naam 'psalmen' wijst er dus op dat deze teksten onder begeleiding van muziekinstrumenten ten gehore werden gebracht. In de psalmen zelf is inderdaad meermalen sprake van harpen en citers en eenmaal van trompetten (98,6). Psalm 150 voegt er blaasinstrumenten zoals de ramshoorn en de fluit aan toe, en slaginstrumenten zoals de beltrom en de cimbel.

Poëzie

De psalmen zijn gedichten. In Israël moet er al ver voor de ballingschap een hoogstaande literaire cultuur geweest zijn. Die hing overigens samen met de andere grote beschavingen in dat werelddeel in die tijd.

Verschillende telling

Het aantal psalmen bedraagt honderdvijftig, verdeeld over vijf boeken. Hoewel ze doorgaans op honderdvijftig uitkomen, lopen de tellingen niet altijd gelijk op. In de Septuaginta en de Vulgaat geldt namelijk psalm 9 als één geheel, in de Hebreeuwse Bijbel valt hij uiteen in de psalmen 9 en 10. Daardoor ontstaat dus één nummer verschil. Iets dergelijks gebeurt rond de psalmen 113-116. Pas vanaf psalm 148 lopen ze weer met elkaar in de pas.

Tijd van ontstaan

De tijd van ontstaan van afzonderlijke psalmen is moeilijk vast te stellen. Ettelijke psalmen zijn met de tijd meegegroeid, en soms werden stukken tekst met andere verbonden, en zo tot een nieuw geheel gemaakt. Soms is later een slotvers toegevoegd, dat het geheel een collectieve toon geeft. De laatste twee boeken, dus vanaf psalm 90, bevatten teksten die tot de jongste producten van het genre behoren. Uit de koningstijd stammen de koningspsalmen als 2, 18 en 110 en de Sionspsalmen als 24 en 48. Aan de ballingschap herinneren liederen als 74, 89 en 137. De meeste psalmen danken hun bestaan aan de eredienst. Haar uiteindelijke vorm kreeg de verzameling in de tijd van de tweede tempel, tussen 500 en 300 voor Christus.

David

Sommige psalmen staan op naam van David, andere op die van Asaf, Korach of Jedutun. Dwars door het tweede en derde psalmenboek loopt de groep psalmen waarin de godsnaam de HEER (JHWH) in God (Elohim), gewijzigd is.

Individuele smeekbede

Het voornaamste genre psalmen wordt gevormd door die welke aansluiten bij de elementaire menselijke belevingen, die van lief en leed, van vreugde en verdriet. De achtergrond van de individuele smeekpsalm, die de grootste groep vormt, is ongetwijfeld zeer verscheiden geweest. Naast ziekte kunnen situaties van verdachtmaking en vervolging, van uitstoting en ballingschap een rol gespeeld hebben. De overgeleverde collectieve smeekpsalmen blijken overwegend nationale rampen, in het bijzonder de verwoesting van stad en tempel in 587 voor Chr., te veronderstellen.

Troonbestijging

Min of meer bijeen staan de psalmen van het koningschap van God, ook wel troonbestijgingspsalmen genoemd (93 en 95-100). Ze bezingen het koningschap van de HEER, die als schepper opkomt voor het behoud van de wereld en voor de handhaving van het recht.

Bedevaart

De bedevaartspsalmen (120-134) brengen de berg Sion ter sprake, het huis van God, de tegenwoordigheid van de ark en van Aäron, het koningshuis en de stad. Ze vallen nagenoeg samen met het Hallel (113-118 of 120-136), psalmen die met name op de grote pelgrimsfeesten gezongen werden: op Pasen (zie Marcus 14,26), Pinksteren (of Wekenfeest), en op het Loofhuttenfeest.

Lofpsalmen

De Lofpsalmen hoorden ongetwijfeld tot de liturgie van de drie bedevaartsfeesten. Zij kunnen echter ook een vast element geweest zijn van de dagelijkse liturgie, in het bijzonder tijdens de periode van de tweede tempel. Naast de huldiging van de HEER als schepper, koning, Allerhoogste en heilige God zinspelen zij ook op zijn grote heilsdaden in Israëls geschiedenis, in het bijzonder de bevrijding uit Egypte en de gave van het land. Bijzonder eigen aan Israël, als genre of in hun specifieke uitbouw, zijn de kleinere groepen van dankpsalmen, vertrouwenspsalmen, Sionspsalmen en koningspsalmen.

Jezus Christus

In het Nieuwe Testament spelen de psalmen een grote rol: als gebeden van Jezus tot zijn Vader en als typering van Jezus, een soort 'profetie' over Hem. Dat kan doordat Jezus de nieuwe mens is, de mens bij uitstek, die in alles gelijk geworden aan ons, behalve in de zonde. Daarom was Jezus ook een begenadigd psalmbidder, daarom ook herkennen zijn volgelingen Hem in de psalmen.

School van gebed

Twee fundamentele houdingen tegenover God blijven echter toonaangevend voor het geheel: die van klacht, smeking, vertrouwen enerzijds en die van dank en lof anderzijds. Omdat er aan de psalmen niets menselijks vreemd is, worden ze gewaardeerd en gebruikt als school van gebed voor allen en als persoonlijke gebedenschat. De wijze van uitdrukken in de psalmen is namelijk eerder symbolisch en aanduidend dan nauwkeurig en omschrijvend. Vaak zijn deze gedichten, hoewel duidelijk 'gebruikspoëzie', lyrisch van inslag. Daardoor blijven ze herkenbaar en inleefbaar. De ingewijde lezer brengt ze persoonlijk in zichzelf tot leven en om die reden zijn de psalmen nooit verouderd. Voldoende is een vertaling die zowel de poëzie van de oorspronkelijke als die van de eigen taal respecteert.



Met dank aan de Katholieke Bijbelstichting (KBS) die de Inleiding op het boek Psalmen (Willibrordvertaling van de Bijbel, uitgave 1995) welwillend ter beschikking heeft gesteld voor verwerking in dit lemma.