'Satan' betekende oorspronkelijk gewoon ‘tegenstander’. Onder invloed van het hellenisme werd het de eigennaam van een bovennatuurlijk wezen. Deze figuur werd na verloop van tijd voorgesteld als gevallen engel, vorst der duisternis en aanvoerder van een demonisch legioen. In het christendom is Satan degene die Jezus op de proef stelde; ook is hij als personificatie van het kwaad de vijand van allen die in Hem geloven.

Etymologie

De naam Satan is afkomstig van het Hebreeuwse woord sjaataan (= ‘tegenstander’, ‘vijand’), van de werkwoordsvorm aatan (= ‘hij vervolgde’, ‘hij beschuldigde’).

Tegenstander

In de Hebreeuwse Bijbel wordt het woord sjaataan in de betekenis van ‘tegenstander’ meestal gebruikt om menselijke personen aan te duiden, bijvoorbeeld 1 Sam. 29,4; 2 Sam. 19,22; 1 Kon. 5,4; 1 Kon. 11,14.23.25. Op vier plaatsen in het Oude Testament verwijst sjaataan naar een niet-menselijke persoon:

  • Numeri 22,22: de engel van JHWH die met getrokken zwaard de ziener Bileam de weg verspert; hier treedt dit hemelwezen letterlijk op als tegenstander.
  • Job 1-2: het begint met de voorstelling van een vergadering van JHWH met ‘de zonen van God’; onder hen is ook ‘de tegenstander’; hier wordt in veel vertalingen van ‘de tegenstander’ een eigennaam gemaakt: Satan; deze Satan krijgt van JHWH de opdracht om Job op de proef te stellen.
  • Zacharia 3: hier staat de hogepriester Jozua in een soort gericht tegenover de engel van JHWH enerzijds en Satan anderzijds; de laatste beschuldigt hem, maar de engel pleit Jozua vrij en zegt dat JHWH Satan het zwijgen zal opleggen.
  • 1 Kronieken 21,1: “En satan stond op tegen Israël en zette David aan tot het tellen van Israël [een volkstelling was een zonde tegen JHWH]”; in de versie van 2 Samuel 24,1 is het echter JHWH zelf die David aanzet tot de volkstelling.

Eigennaam

Het woord satan betekent dus in eerste instantie ‘tegenstander’, maar staat ook voor de tegenstander bij uitstek en de aartsvervolger. In deze context maakt het werk van de Tegenstander deel uit van het plan van JHWH.

In de tijd van het hellenisme (334–30 v.Chr.), waarin de joodse heilige geschriften in het Grieks werden vertaald, trad een verschuiving op in de betekenis van satan, dat toen steevast als eigennaam werd geïnterpreteerd. Satan verwees vanaf toen naar de aartsvijand van God. Dit wezen is de vorst van de kwade geesten. Andere namen die aan hem werd gegeven, zijn Belial, Beëlzebul en Beëlzebub. 

Duivel

In de Septuaginta wordt het Hebreeuwse sjaataan soms vertaald met diabolos (= ‘aanklager’, ‘lasteraar’), van diaballein (letterlijk: ‘uiteenwerpen’, ‘omvergooien’). Van diabolos is het Nederlandse woord duivel afgeleid. Satan en de duivel zijn dezelfde personen. Volgens de hellenistische voorstelling was de duivel ooit een aartsengel die door hoogmoed gedreven zich aan God gelijk wilde stellen. Vele engelen sloten zich in zijn opstand tegen de Schepper bij Satan aan; gezamenlijk proberen zij Gods schepping en diens heilsplan te verstoren. In het aards paradijs was het Satan die in de gedaante van een slang de mens verleidde om het goddelijk gebod te overtreden.

Sint Paulus

De eerste christenen hadden een hellenistisch idee van Satan. Dat blijkt duidelijk uit de geschriften van het Nieuwe Testament, waar hij wordt voorgesteld als een vorst van vele boosaardige geesten (demonen). Sint Paulus noemt hem “heerser over machten in de lucht” en zelfs een “god van deze wereld” (Efeziërs 2,2). Tegen Satan moet worden gestreden met een standvastig geloof en een grote liefde voor de gerechtigheid, zegt de Apostel der Heidenen:

“Trek de wapenrusting van God aan om te kunnen standhouden tegen de listen van de duivel. Want onze strijd is niet gericht tegen vlees en bloed, maar tegen de heerschappijen, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en tegen de geesten van het kwaad in de hemelse regionen” (Ef. 6,11.12).

Paulus voorspelt in zijn Tweede Brief aan de Tessalonicenzen dat voordat Christus zal wederkomen er eerst een grote geloofsafval optreedt:

“Eerst moet de geloofsafval komen en moet de mens van de wetteloosheid zich openbaren, de zoon van het verderf, de tegenstander, die zich verheft boven al wat God heet of verering ontvangt, zelfs zo zeer dat hij zich neerzet in Gods tempel en zich voor God uitgeeft.” (2, 3.4)

Deze 'zoon des verderfs' is niet Satan zelf: 

“De komst van de wetteloze zal steunen op de kracht van de satan, en vergezeld gaan van allerlei machtsvertoon, van misleidende tekenen en wonderen, en van alle mogelijke misdadige verleiding, bestemd voor hen die verloren gaan, omdat zij zich hebben afgesloten voor de liefde tot de waarheid, die hen had kunnen redden.” (2 Tess. 2,9.10)

Evangeliën

In de synoptische evangeliën, die van latere datum zijn dan de Paulijnse brieven, komt de naam Satan (Grieks: Satanas) dertien keer voor, in het Johannes-evangelie keer nergens. Hij wordt door Mattheüs en Marcus opgevoerd als degene die Jezus in de woestijn probeerde te verleiden:

Weer nam de duivel Hem mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij liet Hem alle koninkrijken van de wereld zien met al hun pracht, en zei: ‘Dit alles zal ik U geven, als U voor mij in aanbidding neervalt.’ Toen zei Jezus hem: ‘Ga weg, satan. Want er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen.’ Toen liet de duivel Hem met rust, en er kwamen engelen om Hem van dienst te zijn. (Mt 4,8-11; vgl. Mc. 1,13)

Verder brengt Jezus hem ter sprake als Hij na een exorcisme door schriftgeleerden ervan wordt beschuldigd ‘in de macht van Beëlzebul’ te zijn, omdat hij ‘als opperdemon de demonen’ zou uitdrijven. Jezus antwoordt daarop:

‘Hoe kan de satan de satan uitdrijven? Als een koninkrijk innerlijk verdeeld raakt, kan dat koninkrijk niet standhouden. Als een familie innerlijk verdeeld raakt, kan die familie niet standhouden. Als de satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld raakt, kan hij niet standhouden, maar is dat zijn einde. (Mc. 3,23-27; vgl. Mt. 12,26 en Lc. 11,18.)

Een opmerkelijke passage is als Jezus Petrus streng vermaant vanwege diens wereldse opvatting van het messiasschap:

Hij [Jezus] begon hun uit te leggen: de Mensenzoon moet veel lijden, Hij moet verworpen worden door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden, ter dood gebracht worden, en na drie dagen opstaan. Hij sprak hierover ronduit. Petrus nam Hem apart en begon Hem de les te lezen. Maar Hij keerde zich naar zijn leerlingen, keek hen aan en berispte Petrus: ‘Weg daar, achter Mij, satan, want jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen.’ Hij riep de menigte met de leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en Mij volgen. (Mc. 8,31-35; vgl. Mt. 16,23).

Apocalyps

In de Apocalyps van Johannes wordt Satans rol in de eindtijd beschreven:

Toen brak er in de hemel een oorlog uit. Michaël en zijn engelen vochten tegen de draak, en de draak en zijn engelen vochten terug. Maar zij hielden geen stand en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. De grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die Duivel en Satan heet en de hele wereld misleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen met hem. (Ap. 20,7-10)

Dualisme

In diverse ketterse stromingen van het christendom werd/wordt een dualistische opvatting over de werkelijkheid gehuldigd. God is de heerser van het Rijk van het Licht en Satan de heerser van het Rijk der Duisternis. Volgens de gnosis zijn alleen de vormen goddelijk en is de materie is een manifestatie van het duivelse. Dit dualisme had grote invloed op de christelijke spiritualiteit, wat bleek uit de extreme ascese van een aantal monniken. Het lichaam moest geknecht worden, aangezien het een voortbrengsel was van het kwade. 

Schepsel

De Katholieke Kerk leert dat Satan allerminst een evenwaardige tegenpool van God is. Hij is een gevallen engel en engelen zijn schepselen van God. Zijn rijk is daarom niet eeuwig. “De macht van de Satan is (…) niet oneindig”, zegt de Catechismus van de Katholieke Kerk. “Hij is maar een schepsel, machtig op grond dat hij louter geest is, maar nog altijd een schepsel: hij kan de grondvesting van het rijk van God niet verhinderen (nr. 395).

Persoon

De moderne theologie houdt Satan voor een metafoor van het kwaad. Volgens de katholieke leer is hij echter een persoon, in de zin dat hij een wezen is dat is begiftigd met rede en een vrije wil. Zijn opstand tegen God was geen noodzakelijkheid maar een gevolg van zijn vrije keuze. “De duivel en de andere demonen zijn door God als van nature goed geschapen, maar zij zijn uit zichzelf slecht geworden,” aldus het Vierde Lateraans Concilie (1215). Hun zonden tegen God kunnen niet vergeven worden, omdat hun wilsbesluiten vanwege hun zuiver geestelijke natuur onherroepelijk zijn. “Na de zondeval is er voor hen geen berouw meer mogelijk, zoals dat ook voor de mensen na de dood onmogelijk is”, schrijft Sint Johannes van Damascus in zijn werk ‘Over het rechtzinnige geloof’ (De fide orthodoxa 2,4). 

Islam

Ook in de islam wordt Satan voorgesteld als een gevallen engel. Bij aanvang van de schepping, zo staat er in de Koran (soera 7, 12-19), weigerde de engel Iblies een bevel van Allah uit te voeren. Alle engelen moesten buigen voor Adam. Alleen Iblis, hoogmoedig en afgunstig als hij was, deed dat niet omdat hij de mens maar een inferieur wezen vond. Tegen Allah zei hij: “Ik ben beter dan hij. Gij schiept mij uit vuur en hem uit klei.” Hierop kreeg Iblis de naam Satan (Sjaitaan). Zijn straf werd door Allah uitgesteld tot de Dag des Oordeels. Tot die tijd probeert hij zoveel mogelijk mensen te verleiden om ongehoorzaam te zijn jegens Allah.



Alle Bijbelcitaten komen uit de Willibrordvertaling 1995.