In katholieke kerken is het tabernakel de sacrale kluisachtige kast waarin de geconsacreerde hosties worden bewaard.
In de regel heeft een katholiek godshuis slechts één tabernakel: een stevige, niet doorschijnende kast met deuren, die met een sleutel wordt afgesloten.
Het Nederlandse woord ‘tabernakel’ komt van het Latijnse verkleinwoord tabernaculum (‘tent’), van taberna (= ‘kraam’, ‘hut’), verwant met tabula (= ‘tafel’).
In de vroege Latijnse vertalingen van de Bijbel is het Hebreeuwse woord מִשְׁכַּן (misjkan; ‘tent’), onder meer te vinden in Exodus 26, vertaald met tabernaculum. In de Septuagint is dat vertaald met σκηνή (skènè, ‘tent’). In de Statenvertaling wordt gesproken over ‘de tabernakel’ (mannelijk) en niet ‘het tabernakel’; dat is opmerkelijk omdat het Latijnse woord waaraan het is ontleend onzijdig is.
De Tabernakel, dat de Ark van het Verbond bevatte, was het vervoerbare heiligdom van de Israëlieten, waarin JHWH op bijzondere wijze aanwezig was. Het tabernakel als katholiek meubelstuk dient als plaats van het Allerheiligste Sacrament, waarin Jezus Christus werkelijk tegenwoordig is. De metalen kastdeuren van de meeste tabernakels gaan vaak schuil achter een gordijntje. Dat herinnert aan het voorhangsel dat in de Tabernakel de afscheiding tussen het heilige en het allerheiligste vormde (Ex. 26,33).
Vóór de vernieuwingen van de rooms-katholieke eredienst bevonden de meeste tabernakels zich midden op het hoogaltaar in de apsis van het godshuis waar de hoogmissen werden opgedragen. In de kerkgebouwen waar het hoogaltaar intact bleef is dat vaak nog steeds de plek van het tabernakel. In veel kathedralen, basilieken en kloosterkerken staat het tabernakel op een altaar in een aparte sacramentskapel of bevindt het zich in de crypte.
Bij een tabernakel brandt in de regel permanent een lamp of kaars (‘de godslamp’) wanneer het daadwerkelijk geconsacreerde hosties bevat en Jezus Christus dus op sacramentele wijze aanwezig is; het is een teken dat de bewaarplaats ‘bewoond’ is. Wie een kerk waar de godslamp brandt, binnentreedt, knielt voor het tabernakel bij wijze van eucharistische aanbidding. Is het tabernakel leeg, dan is de lamp gedoofd; de deuren blijven dan vaak openstaan; dat gebeurt soms als er op het priesterkoor iets seculiers plaatsvindt, zoals een concert of een lezing.
Hosties in het tabernakel liggen doorgaans in een zogeheten ciborie, een grote kelk die met een deksel wordt afgesloten; in het tabernakel bevindt zich soms ook een grote hostie in een zogeheten lunula, een speciale houder die in een monstrans geplaatst kan worden.
In de middeleeuwen bestond er geen uniforme gewoonte met betrekking tot de plaats waar het Allerheiligste Sacrament werd bewaard. Het Vierde Lateraans Concilie (november 1215) vereiste slechts dat de geconsacreerde hosties in een veilige, goed afgesloten vat werden bewaard; sommige vaten hadden de vorm van een duif. Hoogstens werd geëist dat het Lichaam van Christus op een schone, opvallende plaats werd geplaatst. Slechts enkele synodes gaven een nauwkeurigere omschrijving van de plaats, zoals de Synodes van Keulen (1281) en Münster (1279), die bepaalden dat de hosties boven het hoogaltaar moesten worden bewaard in een goed afsluitbare kast. Vanaf het Concilie van Trente (1545-1563) doet het tabernakel op het hoogaltaar standaard zijn intrede. In kerken die gebouwd of heringericht zijn na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) komt het voor dat het tabernakel niet meer op een altaar staat maar op een eigenstandige verhoging.
De Catechismus van de Katholieke Kerk (editie 1997) zegt over het tabernakel: “Het tabernakel was eerst bedoeld om op waardige wijze de Eucharistie (de heilige Reserve) te bewaren opdat zij, buiten de mis, gebracht zou kunnen worden naar de zieken en afwezigen. Door de verdieping van het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in zijn Eucharistie heeft de Kerk de zin ontdekt van de stilzwijgende aanbidding van de Heer, aanwezig onder de eucharistische gedaanten. Daarom moet het tabernakel een bijzonder waardige plaats krijgen in het kerkgebouw; het moet zodanig gemaakt zijn dat het de waarheid van de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in het heilig Sacrament onderstreept en zichtbaar maakt.” (CKK, alinea 1379).
De Nederlandse Bisschoppenconferentie schreef op 25 mei 2008, op basis van documenten van het pauselijk leergezag, aan de priesters in de kerkprovincie Utrecht een brief over de viering van de eucharistie. Daarin staat dat alleen geconsacreerde hosties mogen worden bewaard; geconsacreerde wijn moet aan het einde van de Heilige Mis volledig worden genuttigd. Over het bewaren van hosties zeggen de bisschoppen: “Het Lichaam van Christus wordt uitsluitend bewaard in het tabernakel in daarvoor bestemde cibories en nooit in plastic dozen en dergelijke. Nog niet geconsacreerde hosties worden niet in het tabernakel bewaard, maar in de sacristie. Nooit mogen niet-geconsacreerde hosties worden vermengd met geconsacreerde Hosties. Het ligt voor de hand dat vooral gewijde bedienaren toegang hebben tot het tabernakel; het is de taak en verantwoordelijkheid van de pastoor hiervoor zorg te dragen.”