Teresia van Ávila (1515-1582) was kloosterhervormster, mystica en schrijfster. Zij is een van de grootste heiligen van de Rooms-Katholieke Kerk.

Karmel

Sint Teresia van Jezus werd als Teresa de Cepeda y Ahumada geboren op 28 maart 1515 (Juliaanse kalender) in de Spaanse vestingstad Ávila. Haar grootvader van vaderszijde was een marrano, een tot het katholieke geloof overgestapte Jood. Teresa was een zeer begaafd kind met een vurig geloof. Zo wilde ze naar Noord-Afrika om daar de marteldood te sterven. Op 18-jarige leeftijd trad ze toe tot de Orde van Onze Lieve Vrouw van de Karmel in het klooster van de Menswording in Ávila.

Hervorming

Na een mystieke ervaring van het lijden van Christus stichtte ze ondanks veel tegenwerking in 1562 het Sint-Jozefklooster te Ávila. Daar begon de hervorming van de Karmelorde. Doel van de hervorming was de ontwikkeling van een spiritualiteit die Teresia van Jezus, zoals zij zichzelf noemde, de Weg van de Volmaaktheid noemde.

Johannes van het Kruis

Vanaf 1567 breidde de nieuwe beweging zich zeer snel uit, ook dankzij Teresa's geestverwant Johannes van het Kruis. Deze mysticus hervormde de karmelietenkloosters. Teresa had een druk leven van afmattende reizen van het ene klooster naar het andere. Tussendoor bad ze vaak in eenzaamheid.

Innerlijke burcht

Teresa zocht God in het binnenste van haar hart. Daarover schreef ze in opdracht van haar biechtvaders het indrukwekkende boek El castillio interior ('De innerlijke burcht'). Daarin vergelijkt ze de ziel met een kasteel. In het centrale vertrek woont God, maar de duivel houdt de mens in de buitenste vertrekken. Teresa waarschuwt degenen die de Weg van de Volmaaktheid willen gaan dat de ziel in haar opgang naar het centrale vertrek vaak in de illusie kan verkeren dat zij God al gevonden heeft. Maar die illusie wordt gevoed door ijdelheid. Vandaar dat nederigheid en boetvaardigheid de beste garantie is op vooruitgang.

Vier mystieke fasen

In haar autobiografie onderscheidt Teresa vier fasen van mystieke vooruitgang. De eerste noemt zij de 'toewijding van het hart'. In die toestand weet de geest zich te concentreren op het lijden van Christus, hetgeen leidt tot boetvaardigheid. De tweede fase wordt gekenmerkt door innerlijke vrede. De menselijke wil berust in de goddelijke wil. Toch blijven het geheugen, het verstand en de verbeelding in deze toestand bloot staan aan wereldse verleidingen. De derde fase is die van de vereniging van het verstand met God. De ziel is zich sterk bewust van de liefde van God, maar het geheugen en de verbeelding verkeren nog in dwaling. De vierde fase is de extase. De ziel is geheel passief en wordt overweldigd door Gods kracht. Alle geestesvermogen zijn in beslag genomen door Hem.

Extase

Over de extase schrijft Teresa in haar autobiografie: "De zintuigen worden plotseling buiten werking gesteld. Handen en het gehele lichaam worden zo koud dat de ziel zich van het lichaam lijkt los te hebben gemaakt. Soms is het moeilijk te bepalen of het lichaam nog ademhaalt. Deze toestand duurt maar kort. Zodra deze sterke extase aan kracht verliest, lijkt het lichaam weer een beetje te herleven en te herademen." Verder zegt Teresa dat de persoon die in extase verkeert, een "gelukkige pijn" beleeft, een gewaarwording die zij elders in haar levensbeschrijving metaforisch beschrijft als een brandende lanspunt die de ziel binnendringt.

Feestdag

Teresa overleed te Alba de Tormes op 4 oktober 1582, de laatste dag dat in het Westen de Juliaanse kalender nog werd gevolgd. De volgende dag was het de 15de oktober van de Gregoriaanse kalender, vandaar dat op die dag haar liturgische gedachtenis wordt gehouden.

Canonisatie

Paus Paulus V verklaarde Teresa zalig op 24 april 1614 zalig verklaard. Gregorius XV verklaarde haar heilig op 12 maart 1622 samen met Ignatius van LoyolaFranciscus XaveriusPhilippus Neri en Isidorus van Madrid. In 1617 riep het Spaanse parlement haar uit tot Patrones van Spanje.

Kerklerares

Paus Paulus VI verleende haar in 1970, als eerste vrouw in de geschiedenis, de titel van Kerklerares, vanwege het bijzonder gezag van haar mystiek-theologische geschriften. In Alba de Tormes worden haar hart en rechterarm bewaard en vereerd.

Biografie Titus Brandsma

Een van de indrukwekkendste hagiografieën van Sint-Teresa werd geschreven door de zalige Titus Brandsma (gestorven 1942, Dachau). Deze Nederlandse karmeliet schreef het boek, dat in 1946 werd uitgegeven, in de Duitse politiegevangenis in Scheveningen. Titus Brandsma beschrijft Teresa in zijn De Groote Heilige Teresia van Jezus als een "hoog begaafde Spaansche maagd, die in de opvatting van het volk tot de getrouwste en heldhaftigste dochters der Kerk behoort".