De twaalf zonen van Jakob zijn de stamvaders van de Twaalf Stammen van Israël.

Dochter

Aartsvader Jakob, zoon van Isaak, had van vier vrouwen (Lea, Rachel, Bilha, Zilpa) zonen en dochters. Slechts één dochter wordt met name genoemd: Dina.

Vier moeders

Lea baarde zes zonen en Dina. Lea's zuster Rachel kreeg Jakobs twee jongste zonen. Laban, de vader van Lea en Rachel, gaf zijn dochters de slavinnen Bilha en Zilpa. Zij baarden elk twee van door Jakob verwekte zonen.

Jozef

Jakob kreeg de naam Israël: 'Hij die met God gestreden heeft'. Zijn twaalf zonen werden de twaalf stamvaders van Israël. In hoofdstuk 49 van het boek Genesis staat hoe Jakob vlak voor zijn dood zijn twaalf zonen zegent en kort hun karaktertrekken kenschetst. Hij zegt daarbij dat Jozef, zijn op eén na jongste zoon, de uitverkorene onder zijn broers is.

Kleinzonen Efraïm en Manasse

Ook Jozefs beide zonen Efraïm en Manasse werden door Jakob gezegend. “Efraïm en Manasse zijn in mijn ogen gelijk aan Ruben en Simeon”, aldus de aartsvader (Gen. 48:5). Beiden worden stamvaders van de gelijknamige stammen van het volk Israël. Er waren dus in feite dertien Israëlitische stammen: elf met als stamvader een van Jacobs zonen en twee met als stamvader Jakobs kleinzonen Efraïm of Manasse.

Twaalf Apostelen

Volgens de Kerkvaders koos Jezus twaalf apostelen omdat Hij zichzelf beschouwde als hoofd van het nieuwe Israël. Zoals het Oude Israël was gefundeerd op de twaalf stamvaders, zo is de Kerk (het Nieuwe Israël) gebouwd op het fundament van de Twaalf Apostelen.

De twaalf zonen in volgorde van geboorte:

  1. Ruben
  2. Simeon
  3. Levi
  4. Juda
  5. Zebulon
  6. Issakar
  7. Dan
  8. Gad
  9. Aser
  10. Naftali
  11. Jozef
  12. Benjamin