Uittocht uit Egypte

In het tweede Bijbelboek Exodus wordt de uittocht van het volk Israël uit Egypte beschreven. De Israëlieten, die in Egypte als slaven leefden, vluchtten onder leiding van Mozes weg voor de farao. Zij trokken door de Rode Zee op weg naar het Beloofde Land.

Jozef
Het verblijf van de Israëlieten in het machtige koninkrijk Egypte hangt samen met de geschiedenis van Jozef, zoon van de Hebreeuwse aartsvader Jakob. Toen Jozef het tot onderkoning van Egypte had gebracht, liet hij zijn vader en zijn broers vanuit Kanaän naar Egypte overkomen.

Slavernij
Toen een nieuwe farao aan de macht was gekomen, die Jozef niet had gekend, werden de nakomelingen van Jakob echter tot slaaf gemaakt. Zij verrichtten dwangarbeid en werden voortdurend mishandeld, zo staat er in het eerste hoofdstuk van het boek Exodus.

Exodus
De Hebreeuwse naam van het tweede boek van de Bijbel is Sjemot, dat 'Namen' betekent, naar het eerste woord van het boek. De samenstellers van de Septuaginta en de Vulgaat gaven het de naam 'Uittocht' (Grieks: εξοδος [exodos]; Latijn: exodus). Deze naam heeft eigenlijk alleen betrekking op de hoofdstukken 1-15, want daarin wordt beschreven hoe de nakomelingen van Jakob (Israëlieten of Hebreeërs genoemd) wegtrokken uit het land waar zij zwaar werden onderdrukt.

Bevrijding
De uittocht wordt in Exodus voorgesteld als een bevrijding door JHWH, de God van Abraham, Isaak en Jakob (= Israël). JHWH roept de Israëliet Mozes, die was opgevoed door de dochter van farao, en draagt hem op het volk Israël weg te leiden uit het slavenbestaan.

Mozes en Aäron
Mozes, die moeilijk uit zijn woorden komt, wordt vergezeld door zijn broer Aäron, die voor hem als woordvoerder moet optreden. Gezamenlijk gaan ze naar de farao om hem op te roepen het volk van Israël te laten gaan. De farao weigert, omdat JHWH zijn hart halsstarrig had gemaakt. JHWH laat daarop zijn macht voelen aan de Egyptenaren door de Tien Plagen.

Paaslam
Bij de laatste plaag worden alle eerstgeboren mensen en dieren in Egyptenaren gedood door JHWH. Hij maakt een uitzondering voor de eerstgeborenen van Israël, mits zij in de nacht van de plaag een mannelijk, onbevlekt lam van één jaar oud slachten. Het vlees moet geroosterd worden en in een gezamenlijke maaltijd opgegeten worden (zie verder Pesach). Het bloed van het lam moet aan de deurposten en de bovendorpels van hun woningen worden gesmeerd. Dat is voor JHWH het teken dat Hij aan hen voorbij kan gaan als Hij zijn dodelijke straf aan Egypte voltrekt.

Uittocht
Farao, die zelf ook zijn eerstgeboren zoon heeft verloren, is er nu van overtuigd dat hij de Israëlieten moet laten gaan. De Israëlieten trekken te voet van Ramses naar Sukkot. Hun aantal bedraagt ongeveer zeshonderdduizend, vrouwen en kinderen niet meegerekend. Een grote groep mensen van allerlei herkomst trekt met hen mee.

Achtervolging
JHWH maakt het hart van de farao echter opnieuw hardnekkig. Weer weigert de Egyptische koning hen te laten gaan. Want wie laat nu zijn slaven ongestraft op de vlucht slaan? De Israëlieten die hun uittocht inmiddels zijn gestart, worden nu achterna gezeten door farao en zijn leger.

Zee wordt land
Aangekomen bij de Rode Zee (zo genoemd in de Septuaginta en de Vulgaat) of Rietzee (zo genoemd in de Hebreeuwse Bijbel) splijt Mozes op bevel van JHWH de zee. Daardoor kunnen de Israëlieten droogvoets wegtrekken. Als de Egyptische achtervolgers de zeebodem betreden, sluit JHWH de zee weer, waardoor farao en zijn leger door het terugstromende water worden verzwolgen. Daarop zingt Mozes zijn loflied, omdat de uittocht is geslaagd.