Vaz, Joseph

Joseph Vaz (1651-1711), geboren in Zuidwest-India, priester en lid van de Oratorianen van Sint Filippus Neri, wordt de Apostel van Ceylon (Sri Lanka) genoemd. Hij werd op 14 januari 2015 door paus Franciscus in Colombo gecanoniseerd.

Afkomst
Joseph werd op 21 April 1651 in Benaulim (Goa, Portugees India) geboren uit vrome katholieke ouders. Zijn vader, Cristóvão Vaz, behoorde tot een voorname brahmanenfamilie in Sancoale. Hij en zijn vrouw Maria de Miranda kregen zes kinderen; Joseph was de derde.

Jeugd
Joseph werd op 28 april 1651 gedoopt in de parochiekerk van Sint-Jan de Doper in Benaulim. Hij ging naar een lagere school in Sancoale, waar hij Portugees leerde. Later leerde hij Latijn in zijn geboortedorp. Vanwege zijn goede schoolprestaties besloot zijn vader hem naar de Goa te sturen om op het jezuïetencollege van Sint-Paulus humaniora te studeren. Daarna studeerde hij filosofie en theologie aan de Academie van Sint-Thomas van Aquino van de dominicanen in de stad Goa als voorbereiding op het priesterschap.

Priester van Goa
In 1675 werd hij diaken gewijd voor het aartsbisdom Goa, dat onder het gezag viel van de Portugese koning (de kerkelijke autoriteit onder Portugees gezag werd Padroado (Portugees voor 'patronaat') genoemd. Het jaar ontving Vaz zijn priesterwijding uit handen van aartsbisschopAntónio Brandão. Kort na de wijding besloot hij voortaan zoals de armen blootvoets rond te lopen. Hij werd een gewaardeerde prediker en biechtvader. In Sancoale opende hij een Latijnse school voor jongens die priester wilde worden. In 1677 deed hij een private gelofte waarin hij zich ‘slaaf van Maria’ verklaarde.

Kerktwist in Kanara
Het was een diepe wens voor Joseph Vaz om als missionaris naar Ceylon te gaan. Hij legde zijn wens voor aan het kathedraal kapittel van Goa – de zetel van Goa was vanwege het overlijden van aartsbisschop Brandão (6 juli 1678) vacant geraakt en het kapittel nam het dagelijks bestuur van het aartsbisdom waar. De kapittelheren (kanunniken) stelden hem echter voor naar Zuid-Kanara te gaan om daar als vicaris foraneus op te komen voor de belangen van het Padroado tegenover de Propaganda Fide. Vaz aanvaardde deze ondankbare taak in 1681. Aangekomen in de Kanaraanse hoofdstad Mangalore zag hij hoe de Katholieke Kerk er verscheurd dreigde te raken. Oorzaak van deze twist was de aanstelling van Thomas de Castro tot vicaris foraneus van Kanara door pausClemens X in 1675, zonder de instemming van de aartsbisschop van Goa. Het gevolg daarvan was dat het Padroado de door de paus benoemde vicaris niet erkende. Omgekeerd leidde dat tot de excommunicatie van Padroado-getrouwe katholieken door De Castro.

Diplomatieke oplossing
Joseph Vaz leed onder de verdeeldheid, vooral ook omdat ze de Katholieke Kerk bij hindoes een slechte naam gaf. Hij begaf zich naar De Castro om een oplossing van het conflict te vinden. Nadat hij zich had vergewist van de authenticiteit van De Castro’s benoeming, besloot hij diens gezag te erkennen. Ondertussen ondernam Vaz, met instemming van De Castro, tal van missionaire activiteiten in Mangalore, Basroor, Barcoor, Moolki, Kallianpur en andere plaatsen. Ook blies hij nieuw leven in de katholieke gemeenschappen in Zuid-Kanara. In Mangalore herstelde hij de Kathedraal van de Rozenkrans en hij bouwde kerken in Onore, Basroor, Cundapore en Gangolim. Ook stichtte hij schooltjes in tal van dorpen.

Stichter broederschappen
Joseph Vaz was oprichter van een groot aantal broederschappen (Portugees: Irmidades). Hun gaf hij, wegens een groot tekort aan geestelijken, de verantwoordelijkheid voor de organisatie van heiligenfeesten en andere kerkelijke activiteiten.

Terug naar Goa
De nieuw aangetreden aartsbisschop van Goa, Manuel de Sousa e Menezes, was allesbehalve blij met de overeenkomst die Vaz met De Castro had gesloten. Toen Vaz hem verzocht naar Goa terug te keren, weigerde de aartsbisschop dat. De Sousa overleed in 1684 en het kathedraal kapittel stond Vaz toe om naar Goa terug te keren.

Oratoriaan
Joseph Vaz bracht veel tijd door in de dorpen rond Goa om daar te preken en sacramenten toe te dienen. Ook sloot hij zich aan bij een groep priesters van het aartsbisdom die samen een evangelisch leven wilden leiden. Dat kreeg op 25 september 1685 de vorm van een communiteit die deel uitmaakte van de Congregatie van het Oratorium van Sint-Philippus Neri (Oratorianen). Zij vormden de eerste autochtone religieuze communiteit in het bisdom. Hun werd de Kerk van het Heilig Kruis der Wonderen in Goa toegewezen. Joseph Vaz werd gekozen tot proost van de Goaanse oratorianen.

Onderweg naar Ceylon
Toen Vaz kennisnam van de moeilijke positie van katholieken op Ceylon, was hij vastberaden om naar het eiland te gaan. Het aartsbisdom belette hem dat door hem te benoemen tot overste van de Kanara-missie. Drie jaar lang vervulde hij dat ambt. In 1686 kreeg hij eindelijk toestemming om naar Ceylon af te reizen. Op zijn reis daarnaartoe bleef hij twee maanden lang in het koninkrijk Keladi (Zuid-India), waar hij pastoraal werk in christengemeenschappen verrichtte. Op paaszondag 1687 bereikte hij de haven van Tuticorin, klaar voor de oversteek naar Ceylon.

Hollands antikatholicisme
Vaz landde in Jaffna. Daar zag hij dat de V.O.C. het katholieke geloof vervolgde. Priesters werden door de calvinistische Hollanders van het eiland verbannen. Vermomd als een bedelaar trok hij de binnenlanden in. Algauw begon hij te lijden aan acute dysenterie. Na zijn genezing begon hij clandestien contact op te nemen met katholieken. Overdag zat hij ondergedoken, ’s nachts deed hij pastoraal werk. In 1689 bereikte hij het dorp Sillalai waar veel katholieken woonden. Daar blies hij het geloofsleven nieuw leven in. In 1690 moest hij hij uitwijken naar Puttalam (kuststad in Oost-Ceylon), waar hij een jaar lang zich op de zielzorg kon toeleggen.

Naar Kandy
In 1692 reisde hij naar Kandy, de hoofdstad van het Ceylonse koninkrijk Kandy. Dat zou het centrum van zijn pastorale en missionaire werk worden. Aanvankelijk werd hij ervan verdacht een spion voor de Portugezen te zijn, wat hem gevangenisstraf opleverde. In de gevangenis leerde hij Singalees, de lokale taal. Van de gevangenbewaarders kreeg hij de gelegenheid een hutkerk te bouwen en catechese te geven aan zijn medegevangenen.

Vicaris-generaal van Ceylon
Toen hij was vrijgelaten vertrok hij naar de gebieden die door de V.O.C. werden gecontroleerd. In Colombo, dat ook in Hollandse handen was, bezocht hij katholieken. In 1697 kwamen daar drie missionarissen van het Oratorium van Goa aan om hem te assisteren. Zij informeerden hem dat hij door de bisschop van Cochin was benoemd tot vicaris-generaal van Ceylon.

Steun van koning
Koning Vimaldharna Surya II van Kandy was onder de indruk van het werk van Vaz en de oratorianen onder de mensen die pokken hadden opgelopen. Daarom kreeg hij toestemming om dieper de binnenlanden in te trekken.

Bekeringen onder Singalezen
In 1699 keerde Vaz terug naar Kandy, waar hij zich bezighield met de bouw van een kerk. Ook vertaalde hij voor de koning diverse Portugese boeken in het Singalees. In deze periode bekeerde hij een aantal lokale notabelen. In 1705 arriveerde nieuwe missionarissen in Ceylon. Vaz verdeelde het eiland in acht missiedistricten. Hij stelde een verzameling van katholieke geschriften samen vergelijkbaar met de boeddhistische canon. Ook verdedigde hij de rechten van de katholieken tegen de Hollandse regering van de V.O.C.-gebieden.

Bisschopsambt geweigerd
In 1705 werd hem aangeboden bisschop gewijd te worden om de post van apostolisch vicaris van Ceylon te bekleden. Joseph Vaz weigerde omdat hij een eenvoudige missionaris wilde blijven. In afbeeldingen van Sint-Joseph Vaz wordt dat gesymboliseerd door een mijter die naast hem ligt en een staf die niet door hem wordt vastgehouden.

Overlijden
In 1707 overleed Vaz’ beschermheer koning Vimaldharna Surya II. Hij werd opgevolgd door Vira Narendra Sinha. De nieuwe monarch verleende Vaz nog meer steun dan zijn voorganger. In 1708 arriveerde nieuwe missionarissen. Dat gaf hem de gelegenheid om een nieuwe missiereis te ondernemen. Toen hij vertrok was hij fysiek al verzwakt. Bij zijn terugkeer werd hij ernstig ziek. Hij leed aan hevige koortsen ten gevolge van een aantal infecties. Hij genas evenwel, maar herwon zijn oude krachten niet. Tijdens een achtdaagse retraite in Kandy overleed hij op 16 januari 1711 op 59-jarige leeftijd.

Canonisatie
Het eerste voorstel om het zaligverklaringsproces op te starten kwam in 1737 van de jezuïet Francisco de Vasconcellos, bisschop van Cochin (met jurisdictie over Ceylon). De Heilige Stoelging akkoord en het proces begon in het aartsbisdom Goa. Tal van aan Joseph Vaz toegeschreven wonderen werden geregistreerd. In 1953 werd het diocesane proces afgerond en de resultaten ervan overgedragen aan Rome. Joseph Vaz werd op 21 januari 1995 in Colombo zaligverklaard door paus Johannes Paulus II en op 14 januari 2015, ook in Colombo, heiligverklaard door paus Franciscus.