Religiejournalist Christian van der Heijden vertaalde een nieuwe biografie van Franciscus van Assisi (1181-1226), van de Italiaanse publicist Aldo Cazzullo. De Pauscast sprak met Christian over de spiritualiteit van Franciscus en zijn relatie tot de pausen van zijn tijd.

 

Door: Bas Roetman

Is Franciscus van Assisi voor jou een inspiratiebron?

‘Jazeker. Door Franciscus van Assisi kijk ik anders naar verschoppelingen, naar alcoholisten en daklozen, en zelfs naar criminelen. Iedereen die lijdt, maar ook iedereen die niet helemaal past in een keurig plaatje, heeft door de spiritualiteit van Franciscus een sacrale dimensie gekregen.

Ik herinner me dat ik me had aangemeld bij de kapucijnen in Den Bosch, om daar in te treden. Toen zeiden ze trouwens: treed maar niet in, want wij sterven uit. Ik was in die tijd zo door Franciscus bevangen dat ik eigenlijk in iedere zwerver die ik tegenkwam de Christusfiguur zag. Ik weet nog dat er in Den Bosch een man zat van wie ik dacht dat het een dakloze was. Ik gaf hem wat geld, en hij zei: ik hoef je geld niet. Hij wilde mijn medelijden niet. Toen dacht ik: je kunt iemand echt beledigen door zomaar wat geld toe te werpen. Daarmee werd zijn waardigheid eigenlijk alleen maar groter.

Zelfs tegenover struikrovers die hem beroofden was Franciscus nog vriendelijk. Mensen die hem berispten, bedankte hij zelfs nog. Er was eigenlijk niemand voor wie hij geen respect had, omdat hij in iedereen Christus herkende.

Franciscus van Assisi

Wat was zijn ideaal?

‘Leven volgens het evangelie. Dat betekent helemaal te leven zonder allerlei ballast van de oude mens, dus te leven als een nieuwe, verloste mens. Dat is eigenlijk waar het bij hem om draait. Daarvoor is het noodzakelijk dat je de arme Christus navolgt. Dus eigenlijk het wereldse helemaal achter je laten, want het Rijk Gods is nabij.’

Wat betekende het voor Franciscus om die ballast achter zich laten?

‘Dat staat allemaal in dit schitterende boek. Hij was de zoon van een rijke koopman in textiel, in modieuze stoffen uit Frankrijk. Zijn vader was een francofiel. Hij haalde zijn stoffen in Lyon, in Frankrijk. Franciscus heette eigenlijk Giovanni, maar van zijn vader moest dat ‘Fransmannetje’ worden: Francesco.

Het mondaine leven waar zijn vader altijd over sprak, en het rijk worden van al die chique stoffen: dat liet hij helemaal achter zich. Franciscus stal ooit geld om de armen te helpen. Dat vond vader verschrikkelijk, en hij klaagde Franciscus aan bij de bisschop.

Franciscus trok op een gegeven moment al zijn kleren uit, en zei: “vanaf nu heb ik geen aardse vader meer, maar alleen nog een hemelse Vader. Hier heb je je bezittingen terug.” Toen heeft hij gebroken met zijn familie.

De bisschop heeft uiteindelijk zijn mantel over de naakte Franciscus geslagen. Dat is een schitterende symbolische handeling, die ook door een aantal kunstenaars is verbeeld. Op dat moment werd hij de zoon van de kerk, en de bisschop werd eigenlijk zijn vader. Later zou ook de paus die vaderrol op zich nemen.’

Laten we het over Franciscus en de pausen hebben. Wie was de eerste paus met wie hij te maken kreeg?

‘Dat was een van de grootste pausen ooit, die overhoop lag met de keizer van het Heilige Roomse Rijk: Innocentius III. Op voorspraak van een kardinaal konden die arme sloebers uit Assisi bij hem hun opwachting maken in het Lateraans Paleis. Maar ze stonken zo verschrikkelijk dat Innocentius hen wegstuurde. Hij zei erbij: “ga maar prediken tot de varkens en wentel je maar in de varkensstront. Als de varkens zich bekeren, kom dan maar terug.”

Wat deed Franciscus? Hij ging op zoek naar een stel varkens en wentelde zich in hun stront. Hij keerde daarna terug, met nog veel meer stank tot gevolg. Daar was de paus zeer van onder de indruk. Toen kreeg Innocentius die fameuze droom, die ook door Giotto prachtig is afgebeeld: de kathedraal van Lateranen stortte in, maar dat werd verhinderd door een arme sloeber. Die hield in zijn eentje dat hele bouwwerk overeind.

Toen Franciscus later terugkwam, herkende Innocentius hem vanuit die droom. Zo kreeg die rare snuiter uit Assisi het uiteindelijk voor elkaar dat zijn beweging van arme broeders een soort pauselijke goedkeuring kreeg.’

Franciscus wilde hervormen, maar hij wilde niet de hele boel op zijn kop zetten. Hij had veel respect voor de bisschoppen en de paus.

‘Ja, maar op een geestelijke wijze. Hij was natuurlijk een revolutionair, maar hij wist ook goed: wanneer je tegen de kerkelijke autoriteiten tekeergaat, ga je daaraan ten onder. Hij was door en door katholiek, ik geloof dat hij ook met zijn hart helemaal de bisschoppen en de paus wilde gehoorzamen.

Gehoorzaamheid is ook een manier van nederigheid. Zijn spiritualiteit draait erom dat je altijd de mindere bent. Altijd degene die aan het kortste eind trekt. Gekruisigd worden met de Heer, daar gaat het bij Franciscus om. Daar hoort ook gehoorzaamheid bij naar allerlei soorten autoriteiten.’

Het gaat deze week - 800 jaar na zijn dood - vaak over de relevantie van Franciscus voor deze tijd. Waarom is hij nu nog zo belangrijk?

‘Omdat hij een ontzagwekkend fenomeen is. Hij werd een alter Christus genoemd, een andere Christus. Dat zou hij zelf overigens verschrikkelijk hebben gevonden. Christus was ook nederig, maar die hoefde niet steeds zijn eigen zondigheid te bewenen. Dat deed Franciscus voortdurend. Hij was ascetischer dan Christus. Waarom? Omdat die ascese boetvaardigheid betekende.

Daarmee weten wij als postmoderne mensen eigenlijk geen raad. Waarom moeten we toch zo boetvaardig zijn? Zijn we dan werkelijk zo slecht? Ja, maar in tegenstelling tot wat Calvijn zegt, kun je er ook zelf iets tegen doen. Dankzij de genade. Maar leven zoals een verloste mens gaat je wel wat kosten. Uiteindelijk moet je als een gekruisigde door het leven gaan.’

Hoe doe ik dat als moderne mens?

‘Toen paus Bergoglio aantrad - en de naam van de heilige van Assisi aannam - zei hij tegen de Argentijnen: als jullie van plan zijn om naar Rome te komen omdat ik als jullie landgenoot paus ben geworden, doe het maar niet. Dat geld dat je van plan was aan de reis te besteden, geef dat maar aan de armen. Het evangelie betekent heel veel geven. Zo veel geven dat het je ook pijn doet.

Dat is een krachtig tegengeluid in onze tijd waarin enorme ego’s het voor het zeggen hebben. De franciscaanse spiritualiteit is een tegengif, een antidotum.

Franciscus wilde eenvoudig het evangelie navolgen, in al zijn radicaliteit. En ook in al zijn relativiteit. Daarmee bedoel ik: wij zijn maar mensen tussen al die andere schepselen. De mens is weliswaar een bijzonder schepsel, maar wij komen voort uit de aarde. Ook de aarde is een schepsel, alsook de zon. Hij wilde daarmee aangeven dat alles met alles samenhangt en dat alles gemaakt is door de ene God. En overal in het universum zien de sporen van de Schepper.’

Franciscus van Assisi, zijn leven en invloed

Aldo Cazzullo, vertaling door Christian van der Heijden

Kok Boekencentrum