Annemiek Schrijver: 'De straatkrantman'

Een gloednieuwe column van Annemiek Schrijver!

Een tijd geleden heb ik de grote hippe stad verruild voor een klein dorp. Hoewel Amsterdam na twintig jaar trouwe bewoning nauwelijks nog groot te noemen is. En hip heb ik het er eigenlijk nooit gevonden. Door de verhitte drukte is de weemoedige grondtoon van het leven zelden waarneembaar. En onverwachte ontmoetingen veranderen ongemerkt in ongewenste obstakels. In het dorp is alles anders. Dat merk ik aan de straatkrantverkoper. Of beter gezegd, aan mijn houding naar de straatkrantverkoper. In de stad stond er een op iedere hoek. En hoeken en gaten zijn daar in overvloed. Daar wordt men dus moe van de man met die ene krant en zijn bedelende hand. In dit dorp zie ik hem anders. Het is namelijk een stug dorp. Dat is weliswaar een verademing na de beroemde gevatheid van de Jordaan waar je op ieder moment van de dag een brutale opmerking naar je hoofd geslingerd krijgen kan.

De straatkrantman kijkt me altijd stralend aan

Hier kijkt niemand op of om. Dat is rustig, maar soms ook bijna lachwekkend alleen. Maar de straatkrantman kijkt me altijd stralend aan. En nu zegt hij iets liefs. Is het vanwege zijn exotische accent of door mijn geheime verlegenheid dat ik niet goed opvang wat hij me toevoegt? Mooie auto? Of: mooie ogen? Roemt hij dat gekke karretje? Of wil hij m’n grachtengroene kijkers in het licht zetten? Ik merk dat het me allebei even nabij in de oren klinkt. Toegegeven, de oude vrouwentranen komen wel heel vroeg dit leven. Hoe dan ook, auto of ogen, niet om het een of het ander, maar wij verlangen allemaal naar nabijheid. Ik was hongerig en jij gaf mij te eten, zei Jezus. De straatkrantman kan niet weten wat ik op m’n hart heb. Dat een van mijn meest nabije levensgezellen gehoord heeft dat hij ongeneeslijk ziek is. Opgegeven. Het woord alleen al. De hele dag zwellen er al dichtregels aan die ik niet meteen kon thuisbrengen. Nu wel. Nu ineens wel. Want de straatkrantman blijft me warm aankijken. Hij heeft misschien nog nooit van de dichteres Judith Herzberg gehoord. Maar hij zegent me met haar woorden:

 

‘Er is nog zomer en genoeg

wat zou het loodzwaar

tillen zijn wat een gezwoeg

als iedereen niet iedereen terwille

was als iedereen niet iedereen

op handen droeg.’