In gesprek met illustrator Marit Törnqvist

Marit Törnqvist brengt een groot deel van het jaar door in haar geboorteland Zweden. Omdat haar moeder de vertaler is van het werk van Astrid Lindgren kwam Marit al jong in contact met deze opmerkelijke vrouw. De schepper van Pippi Langkous had niet alleen het verlangen om de moeder van alle kinderen te zijn, ze wist het speelse wezentje in zichzelf ook levend te houden. Eigenschappen die ook Marit op het lijf geschreven zijn.

Naast het illustreren van boeken van Lindgren is Marit de decorontwerpster van een driedimensionale reis door Lindgrens werk, het verhalenhuis Junibacken in Stockholm. Gaandeweg haar tekencarrière ontdekte ze dat ze zelf ook in woorden kon uitdrukken wat haar hoofdpersonen wilden zeggen. Dit resulteerde in een stapeltje ontroerende boeken van eigen hand.

Wie eenmaal kennis heeft gemaakt met de tekeningen van Marit herkent haar stijl onmiddellijk. Moedige maar kwetsbare meisjes, stoere maar teruggetrokken jongetjes; de hele mens samengevat in ogenschijnlijk eenvoudige portretjes. Neem nu het meisje dat in een kuil valt in Wat niemand had verwacht. Waarom doet niemand wat? Vanwaar zal haar hulp komen?

Marit vertelt dat ze zich in eerste instantie identificeerde met de mensen die om de kuil heen liepen. Vroeger was ze misschien zelf de in de kuil gevallen hoofdpersoon van dit verhaal, want ze werd als kind gepest. Eenzaamheid is haar dus niet vreemd. Ook haar wond is een heilige wond geworden. Wetend hoe het is om te vallen, kreeg Marit oog voor degenen die struikelen, voor het wereldleed. Maar net als velen van ons voelde ze zich aanvankelijk machteloos en had ze de neiging zich ervoor af te sluiten. En dat maakt bang, gefrustreerd.

Tot ze door Artsen zonder Grenzen werd uitgenodigd om een bezoek te brengen aan Burundi. Vele wereldwijde projecten met kinderen volgden. In een azc in Zweden begon ze met kinderen te tekenen. Gaandeweg raakte ze bevriend met asielzoekers en vluchtelingen. Sommigen noemen haar zelfs mama. Ook al is ze niet met de Bijbel opgevoed, dat je mensen behandelen moet en kunt zoals je zelf ontmoet wilt worden, is de mantra van haar leven geworden.

Ik word steeds minder bang

Hoe combineer je het kunstenaarschap, waar je toch de tijd en ruimte voor moet nemen, met de zorg voor het onstilbare leed om je heen?
“Dat is een conflict in mij: in hoeverre laat je tot in het diepst van je ziel doordringen wat er allemaal gebeurt in de wereld en in hoeverre sluit je je af? Dat vind ik momenteel een heel belangrijk onderwerp. Want als we echt alles tot onze kern laten doordringen, dan kunnen we bijna niet meer functioneren.”

Hoe los je dat op?
“Ik probeer problemen in mijn hoofd te parkeren, want ik zie van dichtbij mensen stuk gaan. Maar ik wil ook tekenen en boeken maken. Eigenlijk ben ik een optimist. Dus af en toe ga ik lekker tekenen, zwemmen of het bos in. Anders kan ik niet opladen. En deze jongens, waarvan sommigen illegaal, doen in feite hetzelfde: zij delen hun ergste leed met mij en verontschuldigen zich dat mijn leven zo ontregeld wordt. Maar ze verrijken mijn leven net zo goed met hun verhalen, grappen en zorgzaamheid. En door het avontuur waarin ik terecht gekomen ben.”

 Hebben we het over de Afghaanse jongens?
“In ons dorpje waren meerdere azc’s en dus raakte iedereen erbij betrokken. Ik leerde daar heel aardige mensen kennen, ze werden vrienden. Toen ontdekte ik dat de Syriërs verblijfsvergunningen kregen, maar dat de Afghanen werden afgewezen. Eén jongen wist zeker dat hij een uitzetting niet zou overleven. Daar begon het mee. Hem heb ik anderhalf jaar verstopt. En het werden er steeds meer. Uiteindelijk had ik er zeven. Niet allemaal bij mij hoor, en niet allemaal tegelijkertijd, maar ik zorgde voor hun zaken en zocht adressen als ze ondergronds moesten.”

Het doet denken aan de onderduikers in de Tweede
Wereldoorlog.

“Veel ingrediënten komen overeen ja, alleen loop ik geen gevaar. De politie hier in Zweden is wel actief aan het zoeken. Ik heb eindeloos veel met de jongens door Zweden gereden. Onderweg hadden we vaak veel plezier als hun Afghaanse muziek door de auto schalde. Toen ik een keer met gierende banden een politiecontrole probeerde te omzeilen, kwamen de jongens op de achterbank niet meer bij van het lachen. Ja, het is ook een gouden tijd geweest. Het is een deel van mijn leven geworden. En ik word steeds minder bang.” Ze lacht.

Is er inmiddels licht aan het eind van de tunnel?
‘Dit loopt nu drie jaar en drie jongens uit wat ik mijn extended family noem, zijn verder gevlucht en liggen nu onder een brug in Parijs. Tussen afval en ratten. Allemaal hebben ze extreem sterke redenen voor asiel, maar dat maakt Zweden niets uit. Deze ervaring zorgt ervoor dat ik soms helemaal niks meer snap van de wereld. Mijn dochters, die in Amsterdam zijn geboren, krijgen alle kansen maar deze jongens hebben niet eens een plek op aarde waar ze veilig kunnen zijn. Slechts eentje heeft een verblijfsvergunning gekregen. Die angst voor vluchtelingen begrijp ik niet. Ik zie geen verschil tussen de ene mens en de andere. Dus nee, er is geen licht. Ik heb in Zweden een actiegroep opgericht met een aantal heel bekende ambassadeurs, zoals de dochter van Astrid Lindgren, de aartsbisschop en de bekende rapster Silvana Imam. We gaan binnenkort skypen met de verantwoordelijke staatssecretaris, want hier gaan duizenden mensen kapot aan. De Zweedse regering is voorlopig niet van ons af. Ja, ik weet het. Nederland is geen haar beter. 

Ik zit ook in de groep #SOSMoria.”

Dit is een uitgelicht artikel uit ons magazine

Het hele interview verder lezen?
Vraag nu een proefnummer aan met het gehele interview.

Vraag je gratis proefnummer aan