Besnijdenis des Heren

In de Rooms-Katholieke Kerk werd op 1 januari het feest van de Besnijdenis des Heren gevierd. Herdacht werd dat Jezus Christus als zuigeling was onderworpen aan de Wet van het Oude Verbond die Hij door zijn bloedig kruisoffer vervolmaakte tot een Nieuw Verbond.

Laatste dag kerstoctaaf
Volgens de oude liturgische kalender van de Romeinse Ritus was 1 januari het feest van de Besnijdenis des Heren. Deze dag is de laatste dag van het Kerstoctaaf, dat wil zeggen de zevende dag na Kerstmis.

Besneden op achtste dag
Sinds de vierde eeuw wordt de geboorte van Christus gevierd op 25 december. Dat zeven dagen daarna Jezus' besnijdenis werd gevierd hangt samen met het gegeven dat Hij als Joodse jongen conform het Mozaïsche gebod op de achtste dag van zijn geboorte besneden werd.

Lucas-evangelie
De besnijdenis van Jezus wordt alleen vermeld in het Evangelie van Sint Lucas:
Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen (2,21; Nieuwe Bijbelvertaling).

Verbond met Abraham
Door het wegsnijden van de voorhuid werd Jezus opgenomen in het volk van Israël en werd hij deelachtig gemaakt aan het verbond van God met Abraham. Deze aartsvader wordt in het Bijbelboek Genesis voorgesteld als de eerste die zichzelf en zijn zonen liet besnijden als uiterlijk teken van zijn verbond met JHWH (Gen. 17,10-14). Abraham liet zijn Isaak besnijden toen deze acht dagen oud was (Gen. 21,4). In de Wet van Mozes (Tora) wordt de besnijdenis op de achtste dag bevolen in Leviticus (12,3). De profeet Jeremia beschouwt de besnijdenis ook als een metafoor voor rechtvaardigheid: 'Laat je besnijden voor JHWH, ontdoe je van de voorhuid van je hart, inwoners van Juda en Jeruzalem' (Jer. 4.4; NBV).

Oorsprong besnijdenis
Waar het gebruik van de besnijdenis historisch zijn oorsprong vormt, is onbekend. Niet alleen de Israëlieten maar ook andere volkeren in het Nabije Oosten kenden de besnijdenis van jongetjes. Mogelijk hadden zij het overgenomen van de Egyptenaren, die het wellicht om hygiënische redenen hadden ingevoerd. Over de Assyriërs, Babyloniërs en Filistijnen wordt in de Bijbel gezegd dat zij de besnijdenis niet praktiseerden. Deze 'onbesnedenen' – dit werd een scheldwoord – werden dan ook als vijanden van Israël beschouwd. Van de Grieken is bekend dat zij de besnijdenis verafschuwden, wat gevolgen had voor de Joodse godsdienst in de hellenistische wereld.

Naamgeving
In de Bijbel krijgen Israëlitische jongetjes niet bij hun geboorte maar bij hun besnijdenis een naam. In het Lucas-evangelie zien we dit gebruik in het geval van Johannes de Doper (1,59-63) en Jezus. In de Romeinse Ritus wordt het verband tussen besnijdenis en naamgeving gelegd door het feest van de Besnijdenis des Heren te laten volgen door het feest van de Allerheiligste Naam van Jezus.

Feest afgeschaft
Het feest van de Besnijdenis des Heren (In Circumcisione Domini) is via de Gallicaanse ritus terecht gekomen in de Romeinse ritus. Bij de liturgiehervorming van de jaren zestig van de vorige eeuw werd dit feest afgeschaft. In de gewone vorm van de Romeinse ritus wordt op 1 januari voortaan het Hoogfeest van Maria Moeder van God. Op de kalender van de buitengewone vorm van de Romeinse ritus (Missale Romanum 1962) staat op 1 januari: Octava Nativitatis Domini(octaaf van de Geboorte des Heren).

Geestelijke besnijdenis
De theologische duiding van het feest van de Besnijdenis des Heren was ontleend aan het Paulijnse onderscheid tussen wet en genade. De apostel Paulus was er een fel tegenstander van dat heidenen die zich hadden laten dopen zich ook zouden moeten besnijden. Niet door de besnijdenis wordt men lid van het Nieuwe Verbond in Christus, maar door het geloof, waarvan het doopsel het uiterlijke teken is. Paulus spreekt over een geestelijke besnijdenis: het afleggen van de zonde door het aanvaarden van Christus' verlossingswerk. 'In Hem bent u besneden, niet door mensenhanden maar door het afleggen van het lichaam van de zonde, door de besnijdenis van Christus' (Kol. 2,11; Willibrordvertaling 1995).

Typologie
In de typologische exegese van oudchristelijke auteurs wordt de besnijdenis van Jezus beschouwd als een voorafbeelding van zijn bloedig offer op Golgotha. Deze gedachte is terug te vinden in de inleiding van het feest in het Groot Gebedenboek (Het Spectrum, Utrecht-Brussel 1950): 'Op de achtste dag na zijn geboorte vergiet Christus voor de eerste maal zijn bloed als eerste aankondiging van zijn heilbrengend lijden. Een andere gedachte welke wij in de liturgische gebeden van dit feest telkens terugvinden, is deze: dat God gehoorzaam wilde zijn aan zijn eigen wet en deze vervolmaakte tot een geestelijke wet, door haar zelf te ondergaan en ons zo een voorbeeld wilde stellen.'