Een biechtvader is een priester die een gedoopte gelovige de biecht afneemt en vervolgens de absolutie verleent wanneer die persoon ervan blijk geeft oprecht berouw te hebben over diens zonden.
De biechtvader is de bedienaar van het Sacrament van Boete en Verzoening. Alleen priesters kunnen dit sacrament geldig bedienen. Dat houdt onder meer in dat zij de zondebelijdenis (de biecht) van boetelingen aanhoren, hun een penitentie opleggen en hun de absolutie verlenen.
In de Latijnse tekst van het Wetboek van Canoniek Recht wordt gesproken van confessarius, dat in de officiële Nederlandse vertaling is vertaald met ‘biechtvader’. Dat de geestelijke die de biecht afneemt in het Nederlands ‘vader’ wordt genoemd, heeft ermee te maken dat priesters in navolging van Jezus Christus zijn aangesteld tot herders (Latijn: pastores) over Gods ‘kinderen’. Hun ambt houdt dus als het ware een geestelijk vaderschap in.
Zowel confessarius (van het werkwoord confiteri = ‘belijden’) als de term ‘biechtvader’ legt de nadruk op het aspect van het biechten, de persoonlijke belijdenis van zonden tegenover een priester. Voor hetzelfde geld was de nadruk gelegd op de absolutie en dan zou de bedienaar van het boetesacrament absolutor zijn genoemd.
Niet iedere priester is automatisch ook bevoegd biechtvader. Die bevoegdheid hangt af van het kerkelijk ambt dat een priester bekleed. De paus, kardinalen, bisschoppen en pastoors zijn krachtens hun ambt bevoegd om biecht te horen. Gewone priesters moeten van hun bisschop of religieus overste schriftelijk bevoegd zijn verklaard om als biechtvader op te treden.
Volgens het Wetboek van Canoniek Recht dient de biechtvader bij het aanhoren van de zondebelijdenis “te bedenken dat hij tegelijk als rechter en als geneesheer optreedt, en dat hij door God aangesteld is tot bedienaar zowel van de goddelijke gerechtigheid als barmhartigheid om zorg te dragen voor de eer van God en het zielenheil” (canon 978 § 1).
Een biechtvader moet bij het stellen van vragen aan de penitent (boeteling) “voorzichtig en discreet te werk te gaan, rekening houdend met de situatie en de leeftijd van de boeteling; naar de naam van een medeplichtige mag hij niet vragen” (canon 979).
Als een biechtvader ervan overtuigd is dat de boeteling oprecht berouw heeft over diens zonden en om de absolutie vraagt, dan “mag deze niet geweigerd noch uitgesteld worden” (canon 980).
“Overeenkomstig de aard en het getal van de zonden, maar rekening houdend met de situatie van de boeteling, dient de biechtvader een heilzame en passende penitentie op te leggen; de boeteling is verplicht deze persoonlijk te volbrengen” (canon 981).
De biechtvader bedrijft een zware zonde die met excommunicatie wordt bestraft, wanneer hij het biechtgeheim schendt.