Eerste Concilie van Nicea

Het Concilie van Nicea van 325 was het eerste oecumenische concilie. Voor het eerst kwamen bisschoppen uit het oostelijk deel en het westelijk deel van het Romeinse Rijk samen om zich te buigen over dringende zaken. Dit Concilie was allereerst bedoeld om een definitief oordeel uit te spreken over het arianisme.

Verdeeldheid in het Rijk
Keizer Constantijn de Grote, vanaf het jaar 324 alleenheerser over het Oosten en het Westen van het Romeinse Rijk, vreesde dat het imperium inwendig zou worden verscheurd door de ariaanse kwestie. Een aantal invloedrijke bisschoppen waren aanhanger van de leer van de Alexandrijnse priester Arius. Die ontkende dat Christus, de Logos, God was. Volgens Arius was de Logos uit de Vader geboren en dus was zijn goddelijkheid ondergeschikt aan die van de Schepper. Met andere woorden, de Zoon was een schepsel, dat niet in alle eeuwigheid had bestaan.

Constantijn alleenheerser
De christologie van Arius werd in Alexandrië als een gevaarlijke dwaling beschouwd, wat leidde tot zijn veroordeling. Arius nam zijn toevlucht tot bisschop Eusebius van Nicomedia, die goede banden had met keizer Constantijn, die toen nog heerser van het Westen was. Eusebius organiseerde in 320 een synode, waarin hij pleitte voor de rehabilitatie van Arius. Bisschop Alexander van Alexandrië weigerde dat en zocht steun bij tal van oostelijke bisschoppen die hun hoop op de augustus van het Westen hadden gevestigd. Toen Constantijn in 324 Licinius, de augustus van het Oosten, had verslagen, schrok hij van het kerkelijke conflict dat hij in het Oosten aantrof. Hij stuurde zijn gezant bisschop Ossius van Cordoba naar Alexandrië met als opdracht een einde te maken aan de twist.

Oecumenisch
Toen de oproep tot eenheid niets uithaalde, nam Constantijn het besluit de kwestie voor te leggen aan de gezamenlijke vergadering van alle bisschoppen van de 'oecumene', dat wil zeggen die van het Westen en het Oosten. De keizer had als augustus van het Westen al eerder een synode bijeengeroepen: het Concilie van Arles van 314, waar de donatisten van Carthago werden veroordeeld. Dit keer ging het echter om het de eenheid binnen heel het Rijk. Als alleenheerser was hij nu bij machte een oecumenisch concilie bijeen te roepen.

Nicea
Als locatie voor het concilie koos Constantijn het keizerlijk zomerpaleis in de stad Nicea in Bythinië (Grieks: Νικαια Βιθυνιας, Nikaia Bithynias; Latijn: Nicaea), het huidige Iznik in Turkije. Nicea, genoemd naar de overwinningsgodin Nikè, lag vlakbij Nicomedia (het huidige Izmit), de oostelijke hofstad. Volgens bisschop en geschiedschrijver Eusebius van Caesarea stelde de keizer postkoetsen ter beschikking om de bisschoppen vanuit uit alle gewesten van het rijk snel naar Nicea te vervoeren.

Concilievaders
Het concilie werd op 19 juni 325 geopend in aanwezigheid van de keizer. Er waren ongeveer 300 bisschoppen komen opdagen. Een aantal van hen had nog geleden onder de christenvervolgingen van keizer Diocletianus. Officieel was er sprake van 318 deelnemers, maar dat zou een symbolisch getal zijn, verwijzend naar het aantal strijdvaardige dienaren van Abraham (Gen. 14,14). De voornaamste anti-arianen waren: Alexander van Alexandrië, die zijn diaken Athanasius had meegenomen, Eustathius van Antiochië en Marcellus van Ancyra. De pro-Ariusfactie was ver in de minderheid. Invloedrijk was een middenpartij, die zich tot doel had gesteld een compromis te sluiten. Deze factie werd aangevoerd door Arius' protector, Eusebius van Nicomedia, die inmiddels Constantijns hofbisschop was geworden, en Eusebius van Caesarea. Uit het Westen waren er slechts vijf bisschoppen, onder wie Ossius van Cordoba. De bisschop van Rome, paus Sylvester Iwas er zelf niet, maar liet zich vertegenwoordigen door de priesters Vitus en Vincentius. Volgens een legende zou Nicolaas van Myra ook aan het concilie hebben deelgenomen.

Vader en Zoon
Het theologische debat ging over de verhouding van de Zoon tot de Vader. Allen waren het erover eens dat de Zoon geboren was uit de Vader. De arianen echter meenden dat de Zoon dan niet gelijk kon zijn aan de Vader. Toen de discussie daarover zich ontvouwde en steeds feller werd, stelde Eusebius van Nicomedia voor een formule te aanvaarden uit een door hem gebruikte geloofsbelijdenis, waarin de Heer Jezus Christus werd beleden als “God uit God, Licht uit Licht, Leven uit Leven, enige Zoon, geboren vóór alle schepselen, verwekt door de Vader vóór alle tijden, door wie alles geschapen is”. Niemand had daar bezwaar tegen. Volgens Athanasius was het Ossius van Cordoba die toen voorstelde om het Alexandrijnse begrip ομοουσιος (homo-ousios) te gebruiken. Het betekent 'van hetzelfde wezen'. Men ging akkoord en men aanvaardde de formule ομοουσιον τωι Πατρι (homo-ousion tooi Patri), dat 'wezensgelijk aan de Vader' betekent. De Latijnse vaders vertaalde ουσιος echter niet met essentia, maar met substantia. De Latijnse formulering luidt dan ook: unius substantiae cum Patre. In 381 op het Concilie van Constantinopel(381) zou dit worden gewijzigd in consubstantialem Patri.

Geloofsbelijdenis
Het uiteindelijke resultaat was de Geloofsbelijdenis van Nicea. Onmiddellijk werd daar deze tekst aan toegevoegd: “Wie echter beweren: 'Er was eens een tijd dat Hij [de Zoon] niet bestond' en 'Voordat Hij geboren werd, bestond Hij niet' en 'Hij is uit het niets geworden' of wie zeggen: 'God is van een andere substantie of wezen' of 'Hij is geschapen of veranderlijk', hen vervloekt de katholieke Kerk (hos anathematizat catholica Ecclesia).” Daarmee waren Arius en de aanhangers van zijn leer officieel veroordeeld.

Paasdatum
Het Concilie hield zich na de afhandeling van de ariaanse kwestie ook nog bezig met de Paasdatum. Constantijn wenste voor heel zijn Rijk één Paasfeest, overal op dezelfde dag gevierd. Voordien vierde een aantal kerken de Verrijzenis op dezelfde dag als het Joodse Pesach: de 14e Nissan. De meerderheid wilde deze traditie opheffen, zodat Pasen altijd op een zondag viel. Besloten werd om de berekening van de kerken van Rome en Alexandrië te volgen.

Schisma van Meletius
Verder werd de kwestie rond het schisma van Meletius afgehandeld. Deze Egyptische bisschop was in conflict geraakt met bisschoppen die naar zijn smaak onterecht lapsi weer in de kerk hadden opgenomen. Meletius en zijn volgelingen stichtte een eigen kerk. Het Concilie wilde het schisma opheffen. De concilievaders besloten dat hij zijn bisschoppelijke waardigheid kon behouden. Degenen die door hem waren gewijd, moesten zich echter opnieuw laten wijden. De meletianen konden daar niet mee leven en besloten zich aan te sluiten bij de arianen.

Canons
Er werden ook zaken behandeld die de kerkelijke hiërarchie en de discipline betroffen, zoals bisschopswijdingen, de periode van het catechumenaat, de autonomie van de kerkprovincies, het priestercelibaat, de voorrechten van de kerken van Alexandrië, Antiochië en Rome, de erepositie van de kerk van Jeruzalem Deze werden samengevat in twintig canons. De eerste canon, heel opmerkelijk, betrof het verbod op zelfcastratie.

Ambtsjubileum keizer
De sluiting van het Concilie viel samen met het twintigjarig regeringsjubileum van Constantijn. De keizer vierde dit tezamen met de concilievaders tijdens een feestmaal. Bij het afscheid ontvingen ze van hem allerlei geschenken. Nogmaals vermaande hij de bisschoppen om de eenheid te bewaren. Na het Concilie werd de invloed van het arianisme echter steeds groter. Tijdens het Eerste Oecumenische van Constantinopel van 381 zou deze ketterij opnieuw worden veroordeeld.