Eleazar was de tweede hogepriester van Israël; hij nam het ambt over van zijn vader Aäron.

Eleazar vervulde tijdens de uittocht van de Israëlieten uit Egypte een aantal taken, variërend van het vervaardigen van de bekleding voor het altaar tot het uitvoeren van het ritueel van de rode vaars.

Na de dood van zijn oudere broers Nadab en Abihu kregen hij en zijn jongere broer Ithamar de leiding over het heiligdom. Zijn vrouw, een dochter van Putiël, baarde de door hem verwekte Pinechas.

Tijdens de uittocht uit Egypte, toen de Israëlieten door de woestijn trokken, had Eleazar de leiding over het vervoeren van verschillende belangrijke voorwerpen: de olie voor de kandelaar, de welriekende wierook, het dagelijkse graanoffer en de zalfolie. Daarnaast hield hij toezicht op het vervoer van de Ark des Verbonds, de tafel voor het toonbrood, het altaar en andere inrichtingsstukken van de Tent der Samenkomst. Deze voorwerpen werden vervoerd door de Kehatieten van de stam Levi.

Na de opstand tegen het leiderschap van Mozes, zoals beschreven in Numeri 16, kreeg Eleazar de opdracht om de bronzen wierookvaten van de opstandelingen in beslag te nemen en deze tot een bekleding voor het altaar te smeden, als herinnering aan de mislukte opstand van Korach en de beperking van het Israëlitische hogepriesterschap tot de Aäronieten.

Aäron mocht van JHWH het Beloofde Land niet binnentrekken omdat hij verzuimd had de heiligheid van JHWH tegenover de morrende Israëlieten hoog te houden. Op bevel van JHWH beklom Aäron met Mozes en Eleazar de berg Hor. Daar ontdeed Mozes Aäron van diens hogepriesterlijke gewaden en trok ze Eleazar aan. Aäron stierf op de berg.

Eleazar bekleedde het ambt van hogepriester gedurende meer dan twintig jaar. Hij nam samen met Mozes deel aan de volkstelling. Ook hielp hij bij de verdeling van het land Kanaän na de verovering.

Toen Eleazar stierf, werd hij begraven in Gibea, dat aan zijn zoon Pinechas was toegewezen in het heuvelland van Efraïm.

Het hogepriesterschap bleef in de familie van Eleazar tot de tijd van Eli, aan wiens familie het vervolgens werd overgedragen. Eli was een afstammeling van Ithamar, de broer van Eleazar. Het hogepriesterschap werd aan de familie van Eleazar, in de persoon van Sadok, teruggegeven nadat Abjathar door koning Salomo was verstoten.