De Rooms-Katholieke Kerk viert jaarlijks op 19 maart het hoogfeest van Sint-Jozef. Deze Joodse timmerman uit Galilea, was de man van Maria, de moeder van Jezus. Hij wordt vereerd als de Patroon van de Kerk.

Voedstervader

Jozef, zoon van Jacob, was de man van Maria en de pleegvader ('voedstervader') van Jezus. Hij stamde uit het geslacht van koning David, van wie voorspeld was dat een van zijn nakomelingen de Messias zou worden. Van beroep was Jozef timmerman of aannemer in Nazareth.

Rechtschapen

In het Nieuwe Testament speelt hij slechts een rol bij de geboorte en kinderjaren van Christus. Volgens het Evangelie van Matteüs was Jozef een "rechtschapen man". Hij overwoog in stilte van zijn verloofde Maria te scheiden, omdat zij zwanger bleek voordat ze gingen samenwonen. Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een een droom een engel, aldus Matteüs. De engel zei: "Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd, uw vrouw tot u te nemen: het kind in haar schoot is van de Heilige Geest" (1:20).

Naamgever

Volgens Matteüs was het Jozef die op gezag van de engel het kind van Maria de naam Jezus gaf. Jezus komt van het Hebreeuwse Jesjoea en betekent 'JHWH is verlossing'. Volgens de engel zal Jezus "zijn volk verlossen van hun zonden".

Weduwnaar

Volgens het apocriefe Proto-Evangelie van Jacobus is Jozef een weduwnaar met zonen en Maria een tempelmaagd. Maria is twaalf jaar geworden en haar diensttijd zit erop. Daarom zoeken de priesters een geschikte man voor haar. De geselecteerde kandidaten moeten hun staf in de tempel leggen; de man wiens staf zal bloeien wordt door de hogepriester als Maria's bruidegom aangewezen. De staf van Jozef bloeit, maar Jozef weigert Maria te huwen. "Ik heb zonen en ik ben oud, terwijl zij nog jong is. Ik wil niet belachelijk gemaakt worden onder de kinderen van Israël" (9:8). De hogepriester vermaant hem en zegt dat het de wil van God is, waarop Jozef gehoorzaamt.

Zalige dood

Volgens een overlevering stonden Jezus en Maria beiden aan Jozefs sterfbed. Vandaar dat hij wordt beschouwd als de heilige die wordt aangeroepen ter verkrijging van een 'zalige dood', een sterven waar de bediening van de laatste sacramenten aan voorafgaat.

Verering

Het feest van Jozef werd in Midden-Europa al in de negende eeuw op 19 maart gevierd. Waarschijnlijk is die datum gekozen vanwege het feest van Maria Annunciatie een week later. 

De heilige karmelietes Teresia van Avila (1515-1582) en de heilige bisschop Franciscus van Sales (1567-1622) bevorderden de devotie tot Jozef sterk. In 1729 werd op bevel van paus Clemens XI het Jozeffeest verplicht voor de gehele RK-Kerk. In 1870 verhief paus Pius IX Jozef tot patroon van de Kerk. Zijn opvolger Leo XIII, wees de maand maart aan als de Jozefmaand. Ook verleende hij zijn goedkeuring aan het bidden van een speciale litanie ter ere van Jozef. In 1955 stelde paus Pius XII de 1ste mei in als het feest van Sint-Jozef Arbeider.

Johannes XXIII

Johannes XXIII (1958-1963) was een groot vereerder van de 'Bruidegom van Maria'. De paus die het Tweede Vaticaans Concilie bijeen had geroepen, nam Jozef op in de eeuwenoude heiligenlijst van de Romeinse Canon, het eerste Eucharistisch Gebed van het Romeins Missaal.

Franciscus

Paus Franciscus werd op 19 maart 2013, het hoogfeest van Sint-Jozef, geïnaugureerd. Hij bepaalde dat de naam van de bruidegom van Maria voortaan moest worden ingevoegd in de eucharistische gebeden II, II en IV van het Romeins Missaal. 

Hoogfeest

Volgens de gewone vorm van de Romeinse ritus zijn er in het kerkelijk jaar naast de sterke tijden (advent, kersttijd, veertigdagentijd, paastijd) ook speciale dagen waarop de Kerk een heilige gedenkt of een heilsfeit herdenkt. Die dagen hebben een bepaalde rang. De laagste rang is de facultatieve gedachtenis; dan de verplichte gedachtenis; vervolgens het feest; en als hoogste het hoogfeest. Een hoogfeest begint al op de avond van tevoren met het 'avondgebed op de vooravond' oftewel 'de eerste vespers'. Het hoogfeest van Sint-Jozef begint dus al op de avond van de 18de maart. 

Als Sint-Jozef op een andere zondag dan Palmzondag valt, dan wordt het hoogfeest op de eerstvolgende beschikbare dag gevierd, meestal op maandag 20 maart. Als 19 maart in de Goede Week valt, dan wordt het hoogfeest gevierd op de eerst mogelijke dag daarvoor, meestal de zaterdag vóór Palmzondag.