Aäron, de broer van Mozes, was de eerste hogepriester van Israël.

De herkomst van de naam Aäron (Hebreeuws: אַהֲרֹן Aharon, Arabisch: هارون Hārūn, Grieks: Ἀαρών Aäroon) is onbekend. Soms wordt de naam in verband gebracht met het Hebreeuwse ‘aroon (= ‘ark’), maar waarschijnlijk is de herkomst net als die van ‘Mozes’ Egyptisch.

Aäron was volgens de Tora (de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel) de zoon van Amram en Jokebed, en de broer van Mozes en Mirjam. Hij was drie jaar ouder dan Mozes en jonger dan Mirjam. Hij was getrouwd met Eliseba, dochter van Amminadab en zuster van Nachson, uit de stam Juda, bij wie Aäron vier zonen had: Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar.

Aäron werd aan Mozes, bij diens roeping, ‘tot een mond’ oftewel een woordvoerder gegeven (Exodus 4,14-16). Hij trad in Egypte op als Mozes’ profeet. Met zijn broer leidde hij het volk Israël bij de uittocht uit Egypte (Ex. 12,31) en tijdens de daarop veertig jaar durende woestijnreis naar het Beloofde Land (Ex. 16).

Aäron ondersteunde met Chur de omhooggeheven handen van Mozes tijdens de slag met Amalek (Ex. 17,12). Hem werd toegestaan met Mozes de Sinaï te beklimmen (Ex. 19,24). Later mocht hij daar met Mozes, Nadab, Abihu en zeventig van de oudsten van Israël JHWH aanschouwen.

Aäron en Chur werden aangewezen als Mozes’ plaatsvervangers tijdens diens verblijf van veertig dagen en veertig nachten op de Sinaï (Ex. 24,14). Terwijl JHWH aan Mozes op de berg onder meer meedeelt, dat  Aäron en diens zonen tot het priesterambt werden bestemd (Ex. 28,1), maakte Aäron op wens van het morrende volk het gouden stierkalf (Ex. 32). Aäron werd niet direct gestraft voor zijn afgoderij zoals veel anderen. Hij werd wel scherp door Mozes aangesproken (Ex. 32,21–24). In Deuteronomium 9,20 staat dat JHWH zo vertoornd op Aäron was dat Hij hem wilde vernietigen. Dankzij Mozes’ smeekbede werd Aäron gespaard.

Aäron en zijn zonen werden door Mozes op bevel van JHWH (Ex. 29) tot priester gewijd (Leviticus 8): [Mozes] bekleedde Aäron met de tuniek, deed hem de gordel aan en hing hem de mantel om hij legde hem de efod op en bond deze met de sjerp vast; hij deed hem de orakeltas voor en legde daarin de oerim en toemmim. Hij zette hem de tulband op het hoofd, met de gouden plaat, het teken van zijn wijding, aan de voorkant. Zo had JHWH het bevolen. Daarna nam Mozes de zalfolie, en zalfde de woning met al wat daarin was, om haar te wijden. Hij besprenkelde het altaar, en zalfde het altaar met toebehoren en het wasbekken met het onderstel, om ze te wijden. Ook op het hoofd van Aäron goot hij een weinig zalfolie uit, en zalfde hem om hem te wijden. (Lev. 8,7-12).

Op de dag van zijn ambtsaanvaarding en van de inwijding van de tabernakel onderdrukte Aäron zijn verdriet toen zijn zonen Nadab en Abihu verteerd werden door vuur. JHWH had hen verbrand omdat zij vreemd vuur gebracht hadden voor zijn Aangezicht (Lev. 10,1-5).

Op een dag trad Aäron onder invloed van zijn zus Mirjam op tegen hun broer Mozes en diens profetisch leiderschap, naar aanleiding van de Ethiopische vrouw die Mozes gehuwd had (Numeri 12). JHWH was vertoornd op Mirjam wegens haar opstandigheid en strafte haar met melaatsheid, die op voorspraak van Mozes na zeven dagen weer verdween.

De Leviet Korach en de Rubenieten Datan en Abiram kwamen op een gegeven moment in opstand tegen het gezag. Hun rebellie was niet alleen gericht tegen Mozes maar ook tegen Aäron, omdat ook zij aanspraak op het priesterschap maakten. Hun ongehoorzaamheid werd zwaar bestraft: de drie werden met hun gezinnen levend door de aarde verzwolgen (Num. 16,1-35). Toen de volgende dag de gehele vergadering daarover tegen Mozes en Aäron begon te morren, sloeg JHWH het volk met een plaag. Die hield pas op toen Aäron op Mozes’ bevel een vuurbekken met reukwerk nam en midden tussen de doden en de levenden ging staan (Num. 16, 41-50).

JHWH bevestigde Aäron in zijn priesterschap door de staf van de stam Levi, waarop Aärons naam geschreven stond, te laten bloeien (Num. 17).

Toen het volk in de woestijn bij Meriba opnieuw begon te morren over gebrek aan water (Num. 20), droeg JHWH Mozes op een rots te gebieden water te geven. In plaats daarvan sloeg Mozes de rots twee keer met zijn staf nadat hij geïrriteerd tegen het volk had gezegd: ‘Moeten wij voor mensen als jullie water uit deze rots laten komen?’ JHWH liet water uit de rots stromen, maar zei vervolgens tegen Mozes en Aäron: ‘Jullie vertrouwen op Mij is niet zo groot geweest, dat jullie tegenover de Israëlieten mijn heiligheid hebben hooggehouden. Daarom zullen jullie deze gemeenschap niet binnenleiden in het land dat Ik hun gegeven heb.’

Aäron zou inderdaad niet het Beloofde Land binnentrekken. Op bevel van JHWH beklom hij samen met Mozes en zijn zoon Eleazar de berg Hor, aan de grens van het land Edom. Mozes liet Aäron zijn hogepriesterlijke gewaden afleggen en bekleedde er diens zoon Eleazar mee. Daar, op de top van de berg, overleed Aäron. Toen Mozes en Eleazar van de berg naar beneden kwamen, begreep heel de gemeenschap dat Aäron overleden was. Heel het huis van Israël beweende Aäron dertig dagen lang (Num. 20,29).