Johannes Paulus II

Karol Józef Wojtyla werd in 1920 in het Poolse Wadowice geboren. In 1964 werd hij aartsbisschop van het Poolse Krakau, in 1967 kardinaal. In oktober 1978 werd hij tot paus verkozen; hij nam toen de naam Johannes Paulus II aan. Hij overleed 2 april 2005. Paus Franciscus verklaarde hem heilig op 27 april 2014.

De vader van Johannes Paulus II heette Karol Wojtyla. De Wojtyla's stamden af van trotse, onafhankelijke boeren uit het hoogland van Galicië. Karol werd op 18 juli 1879 geboren in Lipnik. Over zijn jeugd is weinig bekend. We weten wel dat hij slechts drie jaar de middelbare school bezocht. Karol wilde in de voetsporen van zijn vader treden, en werd leerling-kleermaker. In 1900 werd hij op 22-jarige leeftijd evenwel opgeroepen om dienst te nemen in het Oostenrijkse leger van keizer Frans Jozef I. Zo begon een bescheiden militaire loopbaan, waarin hij uiteindelijk de rang van luitenant in het Poolse leger zou bereiken. 

Vrome vrouw
In 1906 trouwde Karol met de vijf jaar jongere Emilia Szolc Kaczorowska, een meisje dat in een klooster was opgevoed. Zij was het vijfde kind uit een gezin van dertien kinderen. Haar vader was stoffeerder. Naar verluidt ontmoette Karol zijn toekomstige vrouw in een kerk in Krakau. Emilia wilde een kaars bij de Heilige Maagd Maria opsteken, toen haar oog viel op een jonge onderofficier. Emilia, tenger en sensitief, raakte onder de indruk van zijn vroomheid en sterke persoonlijkheid. Niet veel later traden ze in het huwelijk. De dood legde al snel een schaduw over het jonge paar: dochtertje Olga, de eerstgeborene, overleed direct na haar geboorte. 

Wadowice
In 1920 vestigden Karol en Emilia zich in Wadowice. Er was inmiddels een tweede kind geboren: zoon Edmund. Karol Jozef Wojtyla, de latere paus Johannes Paulus II, zag op 18 mei 1920 het levenslicht. Het verhaal gaat dat Emilia onmiddellijk na de geboorte de vroedvrouw zou hebben gevraagd het raam te openen. Op dat moment klonk er namelijk uit hun parochiekerk in Wadowice gezang ter ere van de Heilige Maagd. Emilia wilde dat het allereerste geluid dat Karol zou horen, een Marialied zou zijn.

Dood van moeder
Een intimus van Johannes Paulus II zei eens dat Emilia zwaar te lijden had. De paus zelf zei over zijn moeder: "Haar gezondheid was slecht. Ze moest hard werken, waardoor ze weinig tijd had om zich met mij bezig te houden." Emilia was naaister in Krakau. Toen Karol junior nog klein was, werkte ze 's avonds thuis door om extra geld te verdienen. Omdat ze veel last had van haar rug, kon ze vaak niet zelf boodschappen doen of op de kinderen passen. Emilia overleed in 1929 aan ernstige hart- en nierkwalen. Karol was toen nog maar 8 jaar oud.

Karol en de joden
Het gezin bewoonde in Wadowice een bovenhuis, gelegen aan de overkant van een smalle straat die leidde naar de belangrijkste kerk van het stadje. Het huis werd gehuurd van een Joodse familie. In het katholieke Polen was het antisemitisme diep geworteld en wijdverspreid. De nog jonge Karol bleek hier immuun voor. Hij had respect voor het joodse leven. Hij kende de joodse feestdagen en bewonderde de liturgie van de synagoge.

Jongensgymnasium
In 1930 ging Karol naar het openbaar jongensgymnasium in Wadowice. Als gepensioneerd overheidsbeambte hoefde luitenant Wojtyla slechts de helft van het normale schoolgeld te betalen. Karol had 32 klasgenoten: zonen van handarbeiders, boeren, officieren en vaklieden. Tussen hen groeide een diepe vriendschap, waarbij sociale en religieuze verschillen amper telden. Een aantal klasgenoten was joods. 

Joodse buurjongen
Tot zijn beste vrienden rekende Karol buurjongen Jerzy, de zoon van het hoofd van de joodse gemeente in Wadowice. Karol en Jerzy waren goede voetballers. Toen Jerzy eens helemaal naar de kerk was gerend om Karol, die misdienaar was, op te halen voor een voetbalpartijtje, sprak een vrouw haar verbazing uit over het feit dat een joodse jongen naast het altaar verscheen. Karol antwoordde haar: "Zijn wij niet allen kinderen Gods?" Menigmaal kwam het voor dat Karol doelman was van het joodse voetbalteam.

Broer Edmund
De gebroeders Wojtyla, Edmund en Karol, scheelden 14 jaar in leeftijd. Ondanks dit grote verschil was de relatie tussen beiden zeer hecht. Ze leken ook uiterlijk veel op elkaar, met hun typische brede, open gezicht. Edmund was dol op zijn broertje. Hij nam Karol mee voor zijn eerste trektocht door de bergen. Ook leerde hij Karol skiën en deelde met hem zijn liefde voor de natuur. Edmunds gevoel voor humor en passie voor theater waren van grote invloed op Karol. In 1930 waren Karol en zijn vader in Krakau aanwezig bij de plechtige uitreiking van de medische bul aan Edmund. In de indrukwekkende aula van het Collegium Maius van de oude Jagiello-universiteit zag een trotse Karol hoe een groep mannen in prachtige, academische gewaden zijn grote broer speciale eer betoonden. 'Magnum cum laude' was het oordeel van de hoogleraren. Voor luitenant Wojtyla betekende Edmunds artsentitel dat het gezin eindelijk een financiële steun had om op terug te vallen. 

Overlijden van Edmund
Op 5 december 1932 sloeg het noodlot toe. Karol senior en junior ontvingen op die dag het bericht dat Edmund was overleden. Tijdens een roodvonkepidemie had Edmund een nacht lang gewaakt bij een jonge patiënte. Hij raakte besmet en ging door een hel, zowel fysiek als psychisch. De laatste vier dagen van zijn leven bracht de jonge arts door in vertwijfeling en wanhoop. Aan de hoofdarts die zijn stervende assistent probeerde te troosten, bleef Edmund vragen: "Waarom ik? Waarom nu?" In 1983 sprak Johannes Paulus II in een toespraak over het overlijden van zijn broer: "Deze gebeurtenis staat diep in mijn geheugen gegrift. De dood van mijn broer greep mij misschien nog wel meer aan dan die van mijn moeder. Dat komt ook door de bijzondere, ja tragische omstandigheden van zijn dood, en door mijn rijpere leeftijd."

In de ban van het toneel
Als 14-jarige gymnasiast raakte Karol Wojtyla in de ban van de magische wereld van het toneel. Aangemoedigd door zijn leraren ging hij ook zelf de planken op. Menigmaal speelde hij de hoofdrol in schoolproducties. In 1935 gooide Karol hoge ogen met zijn dubbelrol in een vertolking van Balladyma van Slowacki, een allegorisch Pools drama. Twee dagen vóór de première bleek zijn tegenspeler niet in staat om op te treden. Terwijl anderen in paniek raakten, bood Karol aan ook de rol van zijn tegenspeler te spelen. Onmogelijk, zei de regisseur. Hoe kon hij die rol in zo'n korte tijd uit zijn hoofd leren? 'Ik heb hem al tijdens de repetities geleerd' antwoordde Karol, wiens geheugen later nog veel indruk zou maken. 

Moeilijke tijden
In 1938 ging Karol studeren in Krakau. Ook zijn vader kwam in de stad wonen. De beide Karols hadden het financieel moeilijk. Uiteindelijk moest de gepensioneerde luitenant Wojtyla zijn oorspronkelijke vak van kleermaker zelfs weer opnemen. Karol junior droeg in die tijd pakken die zijn vader had gemaakt van oude legeruniformen. 

Actief studentenleven
Karol had zich in Krakau ingeschreven aan de faculteit Wijsbegeerte, waar de sectie Poolse filologie deel van uitmaakte. Door zijn buitengewone interesse in literatuur, poëzie en toneel was hij vastbesloten Pools letterkundige te worden. Met nieuwe vrienden uit Krakau had Wojtyla buiten de universiteit veel bezigheden. Zo werd hij lid van het gezelschap voor experimenteel toneel Studio Dramtyczne 38, de kring van het Levende Woord, de Poolse Filologische Kring, de Vereniging van Liefhebbers van de Poolse Taal en de Vereniging van Broederlijke Bijstand voor Studenten van de Jagiello Universiteit. 

'Leerling heilige'
Karol Wojtyla stond als stille, vriendelijke jongeman zonder enige twijfel in hoog aanzien bij zijn vrienden en collega's. Dit bijna ondanks zijn godsdienstig engagement en zijn neiging om zich wat solitair op te stellen. Nu en dan plaagden vrienden hem met zijn vroomheid. Een vriendin van de universiteit en medeactrice schreef dat ze "op een dag voor de grap een briefje op zijn lessenaar vastmaakten waarop stond: Karol Wojtyla, leerling heilige! Maar hij leek het niet erg te vinden". 

Een eerste mentor
Op ieder belangrijk keerpunt in zijn leven heeft Karol Wojtyla altijd kunnen rekenen op een persoonlijke raadgever. Een eerste mentor was Mieczyslaw Kotlarczyk, een enthousiast animator van het studententoneel. In de laatste jaren van het gymnasium en aan het begin van zijn studietijd in Krakau was Kotlarczyk op zijn vader na de belangrijkste persoon in Karols leven. Kotlarczyk, veertien jaar ouder dan Karol, gaf de jonge student raad op intellectueel, cultureel en dramaturgisch vlak. Ook was hij altijd bereid als een vriend te luisteren naar de dromen en ideeën van de enthousiaste Karol. 

Oorlog
Toen in 1939 de Duitsers Polen binnenvielen, sloegen vader en zoon Wojtyla net als zoveel anderen op de vlucht. Per bus, vrachtwagen en paardenkar legden ze ongeveer 150 kilometer af naar de stad Rzeszow, waar ze korte tijd verbleven. Voordat ze de volgende stad konden bereiken, moesten ze vanwege de zwakke gezondheid van Karol senior naar Krakau terugkeren.

Neerslachtig
In november 1939 werd de universiteit van Krakau door de Duitsers gesloten. Karol Wojtyla was actiever dan ooit, ondanks zijn werkloosheid en het stopzetten van zijn studie. Aan een vriend schreef hij over deze tijd: "Ik ben heel serieus bezig. Sommige mensen vervelen zich vandaag de dag dood, maar ik niet. Ik omring mezelf met boeken, ik trek burchten op van kunst en studie. Ik werk. Zou je geloven dat ik bijna tijd te kort kom? Ik lees, schrijf, studeer, bid en voer een innerlijke strijd. Soms voel ik me verschrikkelijk en heb ik last van stress en verdriet. Soms voel ik me neerslachtig en dan weer boos. Maar ineens zie ik het weer zitten en schijnt het licht in de duisternis." Aan het einde van 1939 en tijdens het grootste deel van 1940, tot hij voltijds begon te werken, schreef Karol indrukwekkend veel werken van hoogstaande kwaliteit. Hij schreef talloze gedichten en drie toneelstukken met bijbelse thema's. Ook vertaalde hij Oedipus Rex van Sophocles vanuit het Grieks naar het Pools. 

Levende Rozenkrans
Tijdens een godsdienstig debat in een salesianenkerk, in februari 1940, leerde hij Jan Leopold Tyranowski kennen. Tyranowski zou zijn tweede mentor worden. Tyranowski was kleermaker en stond bekend als een zonderlinge man. Deze vrome leek leidde een gebedsgroep voor jongeren, die hij de 'Levende Rozenkrans' noemde. Nieuwe leden werden door hemzelf geworven. Vaak sprak hij op straat vreemde jongeren aan en overtuigde hen van de kracht van het gezamenlijk gebed. Karol werd tot in het diepst van zijn hart geraakt door deze mysterieuze man. Zonder hem was Karol wellicht nooit priester geworden. Kotlarczyk had Karol geleerd dat het goede moet worden nagestreefd door middel van het schone; Tyranowski leerde hem dat het priesterschap een nog snellere manier was om een goed mens te worden. 

Gevaar
Karol junior moest, in het moeilijke jaar 1940, een baan zien te vinden om in het onderhoud van zijn vader en zichzelf te voorzien. In augustus 1940 kon hij in een restaurant als loopjongen aan de slag. Op een gegeven moment begonnen de nazi's jacht te maken op alle gezonde Polen om hen dwangarbeid te laten verrichten. Het was voor Karol dus gevaarlijk om in Krakau als boodschappenjongen rond te lopen. Zijn vrienden snelden hem te hulp. Bij een razzia kon alleen een bijzondere pas hem redden, daarom werd er voor Karol een baan geregeld. Hij zou gaan werken bij Solvay, een chemische fabriek even buiten de stad. Omdat Solvay door de Duitsers werd beschouwd als 'onontbeerlijk voor de oorlogsinspanning', kregen alle Solvay-arbeiders de begeerde bijzondere pas. 

Werk in een steengroeve
Karol werd aangesteld in de steengroeve van Solvay. Zijn werk begon met de aanleg van een spoorlijn. Als 'Schwerarbeiter' ontving Karol extraatjes op het voedselrantsoen. De normale maandelijkse rantsoenen bestonden uit een stuk pezig vlees, meerdere kilo's zwart brood, marmelade, sigaretten en een liter vodka. Karol ruilde zijn sigaretten om voor spek, dat hem kracht moest geven. Nooit hoorde men hem klagen, maar het was de steeds mager wordende Karol aan te zien dat hij het zwaar had. 

Verzet, maar niet gewapend
In 1941 werd het ondergrondse 'Rapsodie Theater' opgericht. Dit gezelschap raakte al snel betrokken bij de ondergrondse Unia, de culturele arm van het militaire verzet. De Unia beschouwde het christendom als de bepalende ideologie voor maatschappelijke vooruitgang. Deze visie sloot goed aan bij Karols ontluikende belangstelling voor sociaal-wijsgerig denken, maar let wel: volgens vriend, verzetsstrijder en collega Zukrowski was Karol gekant tegen de gewapende strijd tegen de nazi's. Hij vond dat de Polen in 1939 al het mogelijke hadden gedaan om de aanvallers te weerstaan. 'De rest ligt in Gods handen en de Voorzienigheid zal ons leiden naar onze lotsbestemming', zei hij tegen zijn vrienden. Ondanks hun vriendschap hield Zukrowski het daarom voor Karol geheim dat hij in het militaire verzet zat. 

Alleen op de wereld
Karols vader was op 18 februari 1941 aan een hartaanval overleden. Karol, nog maar 21 jaar oud, stond er in de grimmige oorlogstijd plotseling helemaal alleen voor. In 1943 schreef Karol zich in aan de illegale theologische faculteit van Krakau. De Duitsers voerden in Polen een waar schrikbewind: op deze clandestiene inschrijving stond bijvoorbeeld de doodstraf. Terwijl hij overdag zware arbeid verrichtte, studeerde Karol in zijn spaarzame vrije tijd filosofie en theologie. Karol meldde zich bovendien bij het aartsbisdom, waar hij te kennen gaf priester te willen worden. De aartsbisschop van Krakau, Adam Stefan Sapieha, een telg uit een oud adellijk geslacht, nam Karol onder zijn hoede. Sapieha zou voor Karol, na Kotlarczyk en Tyranowski, een derde belangrijke mentor worden. Voor Wojtyla was Sapieha de ideale bisschop: streng, moedig, rechtvaardig, vroom en onverzettelijk. 

Ondergronds seminarie
Aartsbisschop Sapieha had in 1942 een clandestien seminarie in het aartsbisdom Krakau opgericht. Karol was een van de tien priesterkandidaten die Sapieha toeliet tot het eerste studiejaar. Samen met een andere seminarist mocht hij twee jaar lang iedere morgen de mis dienen die de aartsbisschop in zijn privé-kapel opdroeg.

Aan de dood ontsnapt
In de middag van 29 februari 1944 liep Wojtyla na een dubbele ploegdienst bij Solvay naar huis. Hij was ernstig vermoeid. Toen hij zich duizelig begon te voelen, werd hij door een voorbijrijdende Duitse legertruck aangereden. Hij viel keihard tegen de stoeprand aan en verloor het bewustzijn. Als een passagier in een voorbijrijdende tram hem niet had zien liggen, zou Karol wellicht gestorven zijn. De dame sprong uit de tram en liep naar hem toe, in de overtuiging dat hij dood was. Op dat ogenblik stopte er een legerauto. Een Duitse officier onderzocht Wojtyla en zag dat hij nog leefde. De officier beval de vrouw het bloed van Karols gezicht te vegen. Daarna liet hij een vrachtwagen met timmerhout stoppen en beval de chauffeur de gewonde Karol naar het ziekenhuis te vervoeren. In het ziekenhuis werd vastgesteld dat Karol een hersenschudding had opgelopen. Hij was ongeveer negen uur buiten bewustzijn. Wojtyla heeft nooit geweten wie die Duitse officier was, maar schreef wel een bedankbriefje naar de dame uit de tram. 

Zwarte Zondag
In augustus 1944, kort na de opstand in Warschau, veegden de nazi's de straten van Krakau schoon. Zo wilden ze voorkomen dat de opstand naar de stad zou overslaan. Alle mannen tussen 15 en 50 jaar werden opgepakt. Deze dag zou de geschiedenis ingaan als Zwarte Zondag. Karol had tijdens deze grootscheepse razzia net op tijd zijn souterrain in de Tyniecka-straat weten te bereiken. Hij hoorde het geschreeuw en het gestamp van de Duitse soldaten. Karol begon te bidden, eerst op zijn knieën en later languit op de vloer liggend. Boven hem hoorde hij soldaten het trappenhuis binnenstormen. Gelukkig zagen zij in hun haast de deur naar het souterrain over het hoofd. Sommige biografen van paus Wojtyla zien in deze Duitse 'slordigheid' een ingreep van God in de aardse werkelijkheid.

Ondergedoken
Na de razzia van augustus 1944 besloot aartsbisschop Sapieha dat zijn zeven seminaristen niet meer op zichzelf mochten wonen. Voor hun eigen veiligheid gaf hij ze onderdak in zijn paleis. Hij beval hen zwarte togen te dragen, zodat ze voor geestelijken zouden worden aangezien. Aartsbisschop Sapieha wist via het verzet te regelen dat Wojtyla's naam uit het arbeidersregister werd geschrapt. De man die dat deed, was zich bewust van het enorme gevaar dat hij daarmee liep. "Ik zou voor de aartsbisschop zelfs in het vuur springen", zou de man hebben gezegd. Het toont aan hoeveel respect de aartsbisschop genoot. Tot het einde van de oorlog bleven de priesterstudenten in de bisschoppelijke residentie en waagden zich niet buiten. 

Bevrijding
Na de bevrijding van Polen keerde Karol Wojtyla terug naar de heropende Jagiello Universiteit. Hij werd gekozen tot vice-voorzitter van de studentenvereniging en wijdde zich aan de voltooiing van zijn derde en vierde jaar theologie. Van april 1945 tot augustus 1946 werkte hij bovendien als assistent-docent. Zoals overal in Polen spitsten de gesprekken onder zijn collega's en vrienden zich toe op de toekomst van het land, dat onder controle van de Sovjetunie was gekomen. Wojtyla, beslist geen sympathisant van de communisten, nam echter niet actief deel aan dergelijke gesprekken.

Geblokkeerde kloosterroeping
Tot twee keer toe probeerde Karol kort na de oorlog om toegelaten te worden tot het karmelieter noviciaat van Czerna. Maar beide keren gaf aartsbisschop Sapieha geen toestemming. "Ik heb honderden keren toestemming verleend aan verschillende kandidaten die in het klooster wilden", lichtte de aartsbisschop toe. "Ik heb slechts twee keer geweigerd. Een keer betrof het de eerwaarde Koslowski, die ook uit Wadowice afkomstig is. Dit is de tweede keer dat ik nee zeg." Tegen het hoofd van de Poolse karmelieten zei Sapieha: "Als gevolg van de oorlog kampen we met een priestertekort. Het diocees heeft Wojtyla hard nodig." En hij besloot met de profetische woorden: "En bovendien zal de gehele Kerk hem hard nodig hebben." 

Priesterwijding en studie in Rome
Op 1 november 1946, Allerheiligen, werd Wojtyla door aartsbisschop Sapieha in de kapel van het bisschoppelijk paleis tot priester gewijd. De volgende dag, Allerzielen, droeg Wojtyla zijn eerste mis op. Omdat Sapieha veel vertrouwen had in Wojtyla's intellectuele potentieel, stuurde hij hem in het najaar van 1946 voor verdere studie naar Rome, weg uit het roerige Polen. Op bevel van Sapieha schreef Wojtyla zich in aan het Angelicum, de pauselijke universiteit van de dominicanen. De conservatieve oude man was namelijk fel gekant tegen de meer progressieve jezuïeten. 

Angelicum
De voorkeur van Sapieha voor het Angelicum kwam goed aan bij Wojtyla. Karol voelde zich namelijk steeds meer aangetrokken tot de daar gedoceerde leer van Sint Thomas van Aquino, bijgenaamd de Doctor Angelicus. In Rome woonde Wojtyla in het Belgisch College. Daar raakte hij bevriend met de Vlaming Gustaaf Joos, die hij in 2003 tot kardinaal zou creëren. Ondanks Sapieha's wantrouwen jegens de jezuïeten, volgde Wojtyla toch diverse lezingen aan hun Gregoriana Universiteit. Naast zijn studie legde Karol zich ook toe op de talen Italiaans, Frans en Engels. 

Padre Pio
In maart 1947 reden Karol en een medestudent naar San Giovanni Rotondo bij Napels om de mis bij te wonen van de kapucijner minderbroeder Padre Pio. Deze eenvoudige volgeling van Sint Franciscus had de reputatie wonderen te verrichten en helderziend te zijn. Sinds de Eerste Wereldoorlog ontving hij de zogeheten stigmata op zijn handen, voeten en in zijn zij. Tienduizenden gelovigen stonden in de rij om bij Padre Pio te biechten, ook de jonge priester Wojtyla. Toen de kapucijn hem zag, voorspelde hij dat Wojtyla eens op de troon van Petrus zou plaatsnemen, maar ook dat hij het doelwit zou worden van een moordaanslag. Vijftien jaar later, in 1962, zou bisschop Wojtyla pater Pio in een brief om diens gebed voor een theologiestudente uit Krakau vragen, een moeder van vier kinderen, die aan kanker leed. De week daarop schreef Wojtyla hem een dankbrief: de studente was namelijk plotseling genezen. Beide brieven zitten in het dossier van het heiligverklaringproces. In 1999 verklaarde Wojtyla als paus Johannes Paulus II Pio heilig. 

Doctor
In juni 1948 keerde Karol Wojtyla na anderhalf jaar studie in Rome als doctor in de theologie terug naar Polen. Hij was gepromoveerd op een filosofisch proefschrift over de Spaanse mysticus Johannes van het Kruis. Nog in hetzelfde jaar 1948 promoveerde Wojtyla aan de Jagiello Universiteit in Krakau als doctor in de theologie. 

Landelijke parochie
Aartsbisschop Sapieha koos voor zijn favoriete jonge priester de landelijke parochie Niegowice uit waar hij pastorale ervaring op kon doen: dopen, biechthoren, huwelijks- en begrafenismissen opdragen, de zieken en zwakkeren bezoeken, preken en zich bekommeren om de parochianen op het platteland. 

Communistische machinaties
In juli 1948 arriveerde de 28-jarige Wojtyla in Niegowice. Het was een afgelegen, bescheiden dorp, ongeveer 50 kilometer van Krakau. Het telde 200 inwoners en omvatte een houten kerk en een groepje huizen zonder elektriciteit, stromend water of riolering. In Niegowice ervoer Wojtyla voor het eerst hoe het stalinistische apparaat werkte. De geheime politie wilde de plaatselijke katholieke Jonge-Mannenvereniging ontbinden en vervangen door een afdeling van de Socialistische Jeugd. Eerst trachtten zij een lid van Wojtyla's groep over te halen om informatie over de jonge parochiepriester te verstrekken. Vervolgens probeerden zij anderen te chanteren met hetzelfde doel. 

Karol en het communisme
Stanislaw Wyporek, Wojtyla's twee-vinger-typist, was één van degenen aan wie een agent had gevraagd verslag uit te brengen over de activiteiten van de jonge katholieken, maar hij weigerde mee te werken. Op een avond nam de politie Wyporek mee in een auto naar een vlakbij gelegen dorp, ranselde hem af en beschuldigde hem ervan lid van een clandestiene groepering te zijn. De volgende morgen kwam de jongen volledig ontredderd en in shock om 9 uur terug in Niegowice. Wojtyla, die hem op straat tegenkwam, kalmeerde en troostte hem. "Maak je geen zorgen, Stanislaw. Zij zullen zichzelf vernietigen", zei hij over de communisten. Later zei hij tot andere leden van de groep: "Socialisme is niet strijdig met de leer van de kerk, maar het zijn de methoden van de communisten die botsen met de kerk. Het communisme dringt het volk materialistische opvattingen op, het martelt de natie." In die tijd verdwenen ontelbare onschuldige mensen in de gevangenissen van het stalinistische regime. 

Geen verzet
Toen Stanislaw Wyporek jaren later Wojtyla bezocht in zijn woning in Krakau, zag hij in diens boekenkast werken staan van Marx, Lenin en Stalin. "Bekeert u zich tot een andere ideologie?" vroeg hij gekscherend. Wojtyla antwoordde: "Als je je vijand wilt begrijpen, moet je weten wat hij heeft geschreven." Dergelijke openlijke politieke opmerkingen maakte Wojtyla overigens zelden. Hij gaf Wyporek de raad de geheime politie de waarheid te vertellen over de bezigheden van de jongens uit de parochie. Er viel niets te verbergen. Wojtyla's speciale pedagogie begon vorm te krijgen. Wyporek: "Nooit vertelde hij ons verzet te bieden. 'De slechte dingen', zei hij, 'moeten worden overwonnen door goedheid. Wij moeten het goede voorbeeld geven. Wij moeten onze nederigheid tonen.'"

Vrienden voor het leven
Toen Wojtyla na een jaar al weer weg moest uit zijn eerste parochie, liet hij een nieuwe kerk achter, waaraan hijzelf ook had meegebouwd. Hij liet er ook een groep mensen achter die de rest van zijn leven vrienden zouden blijven. 

Studentenpastor
Aartsbisschop Sapieha riep Wojtyla in maart 1949 terug naar Krakau en plaatste hem in de universiteitsparochie Sint-Florianus. Karol had als kapelaan het fundamentele belang van de jeugd ontdekt en deze benoeming zorgde ervoor dat hij zijn ongebruikelijke verstandhouding met jongeren kon verdiepen door het ontwikkelen van nieuwe pastorale methoden. Bovendien hield hij contact met het culturele en intellectuele leven van Krakau en kon hij zijn eigen literaire en filosofische pogingen vormgeven. 

Nieuwe vorm van opvoeding
Toen Wojtyla met de jonge studenten en studentes van Sint-Florianus tochten naar de bergen en meren maakte, was zijn doel een nieuwe vorm van opvoeding uit te proberen. De uitstapjes waren niet alleen opgezet als een gelegenheid voor plezier in de buitenlucht. De natuur was een manier om dichter bij God te komen en de ziel door bespiegeling wakker te schudden. De wandelgroep begon de dag steevast met het oprichten van een altaar - een op zijn kop liggende kajak of een stapel stenen -, waarop dan het offer van Christus werd gevierd. Daarna vertrokken zij om door de bergen te trekken of in hun kajaks een meer over te steken. Wojtyla liep voorop, meestal gekleed in een gemakkelijk zittend poloshirt en een korte broek. Zo kon de geheime politie hem niet als priester herkennen. Het was geestelijken immers verboden om groepen jongeren buiten kerkelijk verband te begeleiden. 

Seksualiteit
De jonge mannen en vrouwen noemde Wojtyla wujek ('oom'). Meestal koos hij een jongen of een meisje uit om de dag mee door te brengen. Hij voerde dan urenlang persoonlijke gesprekken met hem of haar. Iedere avond at hij met mensen uit een andere tent. De jongeren spraken vrijuit met hun 'wujek'. Soms zelfs openhartig over problemen in hun liefdesleven. Velen waren weliswaar verloofd, maar mannen en vrouwen sliepen in aparte tenten. Voor Wojtyla werd de aandacht voor seks, liefde en het huwelijk het fundament van zijn jongerenpastoraat. Het sprak de jongeren aan dat hij niet meteen met kerkelijke huwelijksvoorschriften op de proppen kwam, maar in eerste instantie aandacht had voor de persoonlijke beleving van de verloofden. Die houding was toen uiterst onconventioneel. Vele jaren voor de katholieke herwaardering van het huwelijk door het Tweede Vaticaans Concilie ontwikkelde Wojtyla een eigen visie die in die tijd als modern beschouwd werd. Hij was ervan overtuigd dat het huwelijk, net zoals het priesterschap, een echte roeping is.

Hernieuwde studie
Na twee en een half jaar in de Sint-Florianusparochie begon een nieuwe episode in het leven van Wojtyla. Aartsbisschop Baziak, die na de dood van kardinaal Sapieha in 1951 de leiding over het aartsbisdom Krakau had overgenomen, besloot om Wojtyla opnieuw te laten studeren. 

Intellectueel leven
Als kind was Karol Wojtyla al geïnteresseerd in de grote vragen van het leven. Door de familiedrama's die hij meemaakte, leed hij aan melancholische buien. Dan trok hij zich vaak in de stilte terug om na te denken. Als scholier verbaasde hij zijn medegymnasiasten doordat hij het beroemde filosofische werk Kritik der reinen Vernunft van Immanuel Kant in het Duits had gelezen. Het paste dus bij hem dat hij vele jaren studeerde. Kort na het afsluiten van zijn studies begon Wojtyla met de publicatie van wijsgerige artikelen. Ze gingen vooral over de waardigheid van het menselijk individu. Een denker die hem inspireerde om een synthese te maken van het thomistische en het moderne denken was de Duitse fenomenoloog Max Scheler. Wojtyla gaf in 1953 zelfs een proefschrift in het licht, waarin hij het ethische systeem van Scheler beproefde als fundament voor een christelijke ethiek. Wojtyla bekritiseert Scheler daarin overigens, maar geeft ook de potentie aan die de door de Duitse wijsgeer gehanteerde fenomenologische methode voor een christelijke ethiek zou kunnen hebben. Vanaf 1954 doceerde Wojtyla aan de Universiteit van Lublin en in 1956 bekleede hij er als hoogleraar de leerstoel Moraalfilosofie. 

Hulpbisschop
Paus Pius XII benoemde Karol Wojtyla op 4 juli 1958 tot hulpbisschop van Krakau. De vraag van aartsbisschop Baziak 'Aanvaardt u de benoeming?' beantwoordde Wojtyla meteen met 'Waar moet ik tekenen?' De bisschopswijding, verricht door aartsbisschop Baziak, vond plaats op 28 september 1958 in de Wawel-kathedraal van Krakau. 

Tweede Vaticaans Concilie
In 1959 werd het Tweede Vaticaans Concilie aangekondigd door paus Johannes XXIII. Alle bisschoppen van de wereld waren gerechtigd om aan een algemeen concilie deel te nemen. Een enthousiaste Wojtyla reageerde als een van de eersten door kort na de aankondiging al zijn ideeën naar Rome te sturen. De jonge bisschop was van plan actief aan de conciliesessies deel te nemen.