7 februari 2021: verkondiging

5e zondag door het jaar (b)
St. Lambertusbasiliek, Hengelo
Pastoor Jurgen Jansen

Job 7, 1-4.6-7
1 Korintiërs 9, 16-19.22-23
Marcus 1, 29-39

De bekende priester Henri Nouwen, die vele boeken heeft geschreven, heeft ooit een prachtig boekje geschreven met als titel: een levende heenwijzing. Hij schrijft het voor een herder. Maar in mijn bescheiden opinie mag het gelden voor elke christelijk gedoopte. Dat je naar buiten durft te gaan, je present mag stellen in de wereld. En hierbij gaat het niet om eigen inbreng, om eigen prestatie, om eigen persoonlijkheid, om eigen opinie, niet om eigen voor- of afkeur.

Het is je leven durven toevertrouwen in gebed en overgave. Je leven voor het aangezicht van God brengen. Alles in dienst van God durven stellen. Daar is lef voor nodig. Het is een innerlijk appél die ons is toevertrouwd vanuit ons gedoopt zijn. Aan Hem behoren wij toe. Hij is ons vertrouwen waard.

Of zoals sint Paulus het zegt: “dat ik het evangelie predik, is voor mij geen reden om te roemen. Het is een taak die ons is toevertrouwd.”

Het lijkt bijna of de gedoopte als afwezige, als de onzichtbare mens is geworden. De onzichtbare die in de netwerken van onrecht, van rechtvaardigheid, geen plaats zal innemen. Juist wel. Maar het startmoment begint in de stilte, in de afzondering. Om goed te beginnen.

Bij God moeten we zijn om in de wereld van vandaag present te zijn.

Als we naar Jezus zelf kijken, is hij vaak in gebed bij de Hemelse Vader. Vaak wordt er dan door de leerlingen en omstanders gevraagd, waar houdt Gij u op? Iedereen zoekt U! Jezus zoekt zelf altijd eerst zijn gebed en afzondering. Niet aanwezig en niet present in de wereld.
Om daarna, nooit voor eigen gewin of persoon maar altijd voor zijn Hemelse Vader, zich groot te maken. Te handelen en te spreken. Teder en mild, maar als het moet met ferm handelen. Door zijn overgave werd hij de eerst gezondene van de God die liefde is.

Wellicht is dat onze presentie als christen in de wereld. Aan de ene kant een totaal onzichtbare; die van het gebed, van onze persoonlijke relatie tot God, waarin we onszelf los durven te laten. Wat we zelf zijn, wat we hebben, ons huis, onze gedachten, onze verlangens, dat ziet de wereld niet.
Om vervolgens te zijn zoals in het evangelie. In wat we in ons leven tegenkomen, in wat we zien en in wat we ontmoeten. Soms is dat zoals het evangelie het zegt: een hele stad stroomde er voor de deur samen. Van kwaad en onrecht, van onrechtvaardigheid. Van eenzaamheid, van afstand, van virus, van besmetting. Maar óók soms de onrust in ons eigen kerken en gemeenschappen.

Dat onze woorden, onze innerlijke houding, er een mag zijn die niet naar ons zelf wijst, maar naar Hem. Als levende heenwijzing iemand zijn die de vragen, de noden en de verlangens bij de Heer brengt. Daarvoor hebben we wel uit onze huizen en kerken te komen!

Jezus ging uit van Kafarnaum, waar hij woonde. Waar Hij zijn intrek had genomen. Dat woord uitgaan, is prachtig. Veel betekenend. Het kent een diepere laag; Hij is van God uitgegaan. Dat wij vanuit onze huizen, met de mogelijkheden van vandaag, hoe beperkt ze ook zijn, een levende heenwijzing mogen zijn. Van Gods liefde en trouw.