Het martelaarschap van Sint-Vincentius

Vincentius van Zaragoza, ook wel Vincentius van Valencia en Vincentius van Huesca genoemd, was een diaken onder Sint-Valerius van Valencia. Hij zou gelijk met deze bisschop gevangengenomen zijn tijdens de christenvervolgingen onder keizer Diocletianus. Hij stierf in 304 de marteldood. De Kerk gedenkt Sint-Vincentius op 22 januari.

Legendarisch

Over het leven van Sint-Vincentius, die volgens latere meest middeleeuwse hagiografieën buitengewoon welbespraakt geweest moet zijn, bestaan geen bronnen. Aangenomen wordt dat het verhaal van zijn martelaarschap grotendeels legendarisch is zoals dat het geval wordt geacht voor veel meer van de vroegchristelijke martelaren.

Broer van Laurentius?

Volgens sommige, meest Spaanse, legenden zou Vincentius een broer geweest zijn van Sint-Laurentius van Rome. Evenals Laurentius zou Vincentius geboren zijn in Huesca in Arágon en evenals Vincentius was Laurentius een diaken. Maar het vermoedelijke geboortejaar van Laurentius (225) en de vermoedelijke sterfdatum van Vincentius (304) liggen dusdanig ver uit elkaar dat alleen al om die reden het broederschap van beide heiligen wordt uitgesloten. Opvallend is wel dat de martelaarsgeschiedenissen van beiden sterke overeenkomsten vertonen. Zo zouden beiden zijn geroosterd. Vincentius bracht zijn jeugd door in Zaragoza en dankt daaraan zijn naam.

Gevangen genomen

Aangenomen wordt dat Vincentius diende als diaken onder de heilige bisschop Valerius van Valencia. In 304 zouden de bisschop en zijn diaken gelijktijdig gevangen zijn genomen op last van een zekere Dacianus, die in de hagiografie nu eens rechter, dan weer stadhouder wordt genoemd. Dit alles vloeide voort uit de in 302 door keizer Diocletianus ingezette vervolging van de christenen.

Martelingen

Nadat Vincentius was opgepakt werd hij, volgens de overlevering, aan een onwaarschijnlijke reeks van aanvankelijk 'tevergeefse' folteringen blootgesteld. Zo zou hij zijn gevierendeeld, gedeeltelijk gevild en geroosterd. Omdat de dood daardoor niet intrad, werd hij (of liever gezegd de delen waaruit zijn lichaam eens bestond) in een met glasscherven bezaaide kerker gegooid. Daar zouden hem engelen verschenen zijn die hem troostten en de pijn verzachtten. Door de engelen veranderden de glasscherven in bloemen, waardoor zich een bloemengeur door de gevangenis verspreidde. Vicentius zelf zou een luide lofzang op God hebben aangeheven. Ook zou hij hebben geroepen: “Jullie aanbidden goden van steen, wij daarentegen de levende God en zijn zoon Jezus Christus”.

Raaf

Toen Dacianus begreep op welke wonderdadige wijze Vincentius ondanks alle wreedheden was blijven leven, zou hij, uit angst voor reacties van het volk, opdracht gegeven hebben de diaken uit zijn kerker te bevrijden en hem te laten verplegen. Vincentius zou evenwel overleden zijn juist op het moment dat zijn gemartelde lichaam in een zacht bed was gelegd. Dacianus zou hierover zo ontstemd zijn geweest dat hij het bevel gaf Vincentius ontzielde lichaam buiten de stadspoorten op het land te smijten. Hier zou het door een raaf zijn beschermd tegen gieren en andere wilde dieren.

Molensteen

Volgens sommige versies van zijn levensverhaal zou Vincentius nog voordat de martelingen plaatsvonden in de zee zijn gegooid met een molensteen om zijn nek. Hij zou vervolgens niet gezonken zijn maar zijn blijven drijven. Meer algemeen wordt verhaald dat dit pas gebeurde na zijn overlijden, waarna hij aanspoelde op het strand van Valencia waar aanvankelijk zijn relieken werden bewaard. Later zouden zij, om ze te beschermen tegen de Moren, zijn overgebracht naar Lissabon, van welke stad Vincentius evenals van Valencia patroonheilige is.

Patronaat en iconografie

De verering van Vincentius was gedurende middeleeuwen wijd verspreid. Zijn feestdag, 22 januari, werd in het handelsverkeer een belangrijke vervaldag. Vanwege zijn vanaf 531 in Frankrijk vereerde tuniek werd hij patroonheilige van het gilde van de wevers. Ook is hij, vanwege zijn naam ('vin saint') beschermheilige van de wijnboeren. Hij wordt doorgaans afgebeeld gekleed in een rode dalmatiek en heeft als attributen een rooster, een raaf of een molensteen. Hij heeft meestal een martelaarspalm in zijn hand.

UNKNOWN MASTER, Spanish St Vincent and a Donor 1450-1500 Panel, 185 x 117 cm Museo del Prado, Madrid