In de nieuwe documentaire Spoorloos onderzoekt: Sporen van een spermabank komen nieuwe misstanden aan het licht over de spermabank van het Rijnstate ziekenhuis in Arnhem. KRO-NCRV heeft Rijnstate hiervan in november 2024 op de hoogte gesteld. Nu geeft Rijnstate een reactie op vragen van de makers van Sporen van een spermabank.  

Rijnstate over de ‘terugblik’ op de zaak van donorkind Maria

De toenmalige functionarissen van de inseminatiezorg bij Rijnstate hebben voor de ingang van de nieuwe wet in 2004 alle toen actieve donoren benaderd met uitleg over de nieuwe wet en de vraag gesteld of zij verder wilden als B-donor of wilden stoppen met doneren. 

Een aantal B-donoren heeft bij de wetswijziging zelf aangegeven met terugwerkende kracht anoniem te willen zijn. Dit was volgens de wet toegestaan. Voor zover wij nu kunnen achterhalen, hebben de toenmalige medewerkers van Rijnstate de betrokken ouders en kinderen van deze donoren hiervan helaas niet op de hoogte gebracht. 

Toen wij dit ontdekten, hebben wij contact gezocht met de betreffende donoren. Wij hebben hen de problematiek en de verwachtingen van de ouders en kinderen voorgelegd. De donoren die wij hebben kunnen bereiken, hebben echter aangegeven dat zij met terugwerkende kracht toch anoniem willen blijven.

Wij hebben destijds aangegeven (ook aan Maria) dat we dit geen juiste manier van handelen vinden en dat we de situatie voor de betrokken kinderen erg vervelend vonden. Met Maria hebben wij uitgebreid contact gehad.

Wij hebben haar ook verteld dat wij niet goed wisten hoe wij met de situatie moesten omgaan: wij konden de donor niet dwingen om zich bekend te maken, maar begrepen ook dat Maria hierdoor erg benadeeld werd. We betreuren het zeer als Maria zich door ons onvoldoende gehoord heeft gevoeld. 

Reactie op de overschrijdingen van 25 kinderen per donor 

Wij hebben in 2014 inderdaad geconstateerd dat deze richtlijn van 25 nakomelingen niet zorgvuldig werd nageleefd bij onze spermabank. Hierover hebben wij in 2017/2018 uitgebreid gecommuniceerd, zoals jullie onder andere hier kunnen lezen

In 2014 bleek dat ons registratiesysteem er niet goed op ingericht was om meerdere nakomelingen van één donor bij dezelfde vrouw te tellen. Hierdoor kon het gebeuren dat het geadviseerde maximum van 25 nakomelingen per donor werd overschreden. 

Dit bleek bij meerdere donoren te zijn gebeurd. Uiteraard betreuren wij deze onzorgvuldigheid ten zeerste. Met de kennis van nu, waarin we ervaren hebben wat de impact kan zijn van het hebben van zoveel broers en zussen op donorkinderen, zou er anders gehandeld zijn. Sinds het uitkomen van deze onzorgvuldigheid in 2014, wordt de richtlijn van maximaal 25 nakomelingen dan ook streng gehanteerd. 

Reactie op het verhaal van de voormalig secretaresse

Zoals wij in 2018 al verklaard hebben heeft er uitgebreid archiefonderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek hebben wij uitgevoerd naar aanleiding van de vele vragen die wij van kinderen, donoren en ouders kregen naar aanleiding van de media-aandacht in 2017 over het niet strikt hanteren van de richtlijn van het maximaal aantal nakomelingen per donor. 

In 2018 zijn in het oude archief alle papieren dossiers met betrekking tot kunstmatige inseminatie nagekeken en is de informatie uit deze dossiers vergeleken met de digitale dossiers die we sinds 2011 hebben. 

Omdat wij het uiterst belangrijk vonden dat er objectief onderzoek werd verricht, hebben wij er bewust voor gekozen om alle dossiers te laten doorlichten door onafhankelijke functionarissen en niet door medewerkers die bij de kunstmatige inseminatie met donorzaad betrokken waren. Over redenen van het op non-actief stellen van medewerkers, kunnen wij vanwege privacyoverwegingen geen uitspraken doen.

Reactie op de slordige administratie en de verklaringen daarvoor door oud-medewerkers 

Het klopt dat de verantwoordelijkheid een wisselwerking was en dat er daarom niet 1 verantwoordelijke persoon was. Dat is nu anders. De constatering dat het software systeem niet optimaal was, kunnen wij alleen maar onderschrijven. Het laboratorium werkt met een laboratoriumsysteem waarin de gegevens van de donoren verwerkt worden en de polikliniek werkt met het Elektronisch Patiënten Dossier, waarin de gegevens van de behandelde vrouwen verwerkt worden. 

Het aantal nakomelingen dat werd verwerkt, werd door de polikliniek Voortplantingsgeneeskunde doorgegeven aan het laboratorium door middel van een excel-bestand. Dit was zeker foutgevoelig. We hebben in 2014 onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om dit te verbeteren. Er bleek technisch geen koppeling mogelijk tussen deze twee systemen en er was ook geen landelijk systeem beschikbaar voor de registratie van nakomelingen. 

Reactie op het verhaal over de ‘IVF verwisseling’ en het gebruik van eigen zaad

De bewering over het eigen zaad is voor ons geheel nieuwe informatie. We hebben destijds via de media kennis genomen van een arts in een andere praktijk die zelf doneerde. We hebben vervolgens alle artsen die destijds werkzaam waren bij de Kunstmatige Inseminatie met Donorzaad van Rijnstate gevraagd of dit ook bij hen aan de orde was. 

Daar is door alle artsen ontkennend op gereageerd. Als nu blijkt dat toch een van onze artsen zelf doneerde, zouden wij dat uiteraard zeer verwerpelijk vinden en ons beraden op te zetten stappen.

Over de zaak rondom IVF kunnen wij geen uitspraken doen omdat deze zaak nog onder de rechter is. Omdat er in die tijd geen sprake was van geprotocolleerde of gecontroleerde werkwijzen, is het voor ons onmogelijk om te garanderen dat dit niet vaker gebeurd is. We hebben hier echter geen aanwijzingen voor. We willen benadrukken dat dit vandaag de dag nooit zou kunnen gebeuren.