Wie sushi zegt, zegt blauwvintonijn. Japanners zijn in jubelstemming om zijn vettige vlees dat zou smelten op je tong. Maar hoe wordt die tonijn eigenlijk zo bijzonder vettig? De Keuringsdienst duikt in het verhaal: van het vangen van wilde tonijnen tot hun mestproces in tonijnboerderijen.
De blauwvintonijn is terug
De blauwvintonijn is niet dezelfde tonijn die we uit blik kennen. In blik gaat het meestal om skipjack: een kleine en magerdere tonijnsoort die - ondanks op grote schaal verkocht te worden - doorgaans niet overbevist wordt.
De blauwvintonijn is een aparte soort die bekendstaat om zijn exclusieve imago en vooral wordt gegeten als luxe sushi en sashimi. Deze zul je dus niet zo snel in de supermarkt tegenkomen. Maar wat maakt die blauwvintonijn zo bijzonder?
De wagyu van de zee
‘Blauwvintonijn heeft echt een naam gekregen dankzij de kwaliteit van het vlees,’ vertelt visonderzoeker Adolf in de Keuringsdienst van waarde-uitzending.
Vishandelaren noemen de vis ook wel de wagyu van de zee. Onder andere door zijn rijke smaak en het hoge vetpercentage. Het is dan ook een van de prijzigste vissen die er zijn.
Zo kan een blauwvintonijn al gauw 60 tot 100 euro per kilo kosten, terwijl ‘gewone’ tonijn vaak onder de 10 euro per kilo blijft. Toch is de blauwvintonijn er niet minder populair door.
Iedereen wil blauwvintonijn
Waar blue fin tuna voorheen vooral in Japan gegeten werd of in sterrenrestaurants op de menukaart stond, zie je het vandaag steeds vaker. Ook in Nederland.
Door de toenemende wereldwijde vraag naar dit luxeproduct werd er jarenlang zwaar overbevist op de blauwvintonijn, waardoor de soort lange tijd werd bedreigd. Inmiddels lijkt de populatie zich te herstellen.
Dat is volgens visonderzoeker Steven Adolf een positief gevolg van internationale beschermingsprogramma’s en strenge vangstquota. Maar waar halen ze dan al die blauwvintonijn vandaan?
Tonijnen vetmesten
De meeste blauwvinnen worden in de Middelandse zee gevangen met grote netten. Vervolgens slepen vissers deze vissen naar grote kweekbassins in zee om ze maanden tot jarenlang vet te mesten. Want dat vet, dat is wat de blauwvin zo populair maakt.
De vissen bewegen daarom weinig in de kweekbassins bewegen en krijgen veel vette vis gevoerd. Denk hierbij aan markreel, sardine, haring en ansjovis. Voor elke 20 kilo aan voer, komt de tonijn één kilo aan. En dat is volgens dierenwelzijn organisaties een groot probleem.
Keerzijde van kweken
Tonijnexpert Alessandro Buzzi van het Wereld Natuur Fonds, dat zich al decennialang inzet voor het behoud van de blauwvintonijn stelt: ‘Het is ecologisch gezien onzin om de tonijnen vet te mesten: blauwvintonijnen zijn namelijk de toppredator van de oceaan. Daarbij zijn de vissen die de tonijn eet voor ons als mensen ook prima geschikt om te eten.’
Viskenner Bart van Olphen voegt daaraan toe: ‘Makreel staat op de rode lijst – bestaande uit bedreigde diersoorten - door de tonijn makreel te voeren gaan we op twee punten niet vooruit.’
Van vangst tot verkoop
Toch zullen de vetmestpraktijken waarschijnlijk niet snel stoppen als het niet aan banden gelegd wordt. Het is namelijk een lucratieve business.
Door de vissen vet te mesten groeit het vetgehalte en het gewicht van de blauwvin aanzienlijk: binnen een half jaar kunnen ze het gewicht van de tonijn verdubbelen. Een blauwvintonijn kan makkelijk meer dan 400 kilogram wegen tegen de tijd dat de vis verkocht wordt.
Om de beste kwaliteit te behouden, worden blauwvintonijnen gedood volgens de Japanse ikejime-methode. Tonijnafmester Pablo Bouyon Ubero legt uit dat duikers de tonijn onder water in het hoofd schieten en vervolgens eendunne stok in de ruggengraat steken om de zenuwen uit te schakelen en de vis te doden.
Dit zou een minder stressvolle dood opleveren dan verstikking, waarbij de vis veel langer kan lijden en het vlees minder mals wordt.
Conclusie
Na jaren van overbevissing lijkt de blauwvintonijn zich te herstellen, mede door strengere vangstquota en gecontroleerde kweek. Tegelijkertijd wordt diezelfde tonijn vetgemest met grote hoeveelheden makreel, sardine en haring.
Het roept de vraag op hoe logisch het is dat we één bedreigde vissoort beschermen, om haar vervolgens te voeden met andere soorten die eveneens onder druk staan.