Goede Vrijdag is de vrijdag vóór Pasen. De Kerk herdenkt dat Jezus Christus werd gegeseld en, aan het kruis genageld, stierf. Door zijn kruisdood, zo leert de kerk, heeft Jezus Christus de mens verlost.

Goed

Goede Vrijdag is de droevigste dag van het kerkelijk jaar in het algemeen en van het Paasfeest in het bijzonder. Het lijden en sterven van Jezus staan centraal. Toch wordt gesproken van 'Goede' Vrijdag en in het Engels Good Friday. Het woord 'goede' zou eraan herinneren dat Jezus is gestorven om de mensheid te verlossen. In het Duits heet deze dag Karfreitag. Dat betekent letterlijk 'rouwvrijdag': het woorddeel Kar komt van een oud Duits woord voor 'weeklacht’.

Verlossing

De Catechismus van de Katholieke Kerk zegt over de verlossende dood van Christus: "De gewelddadige dood van Jezus is geen toeval geweest, vrucht van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Zijn dood hoort tot het mysterie van Gods heilsbeschikking (…). Dit goddelijke heilsplan dat zich door de terechtstelling van de 'rechtvaardige dienstknecht' (Jesaja 53,11) zou voltrekken was tevoren in de Schrift aangekondigd als een mysterie van universele verlossing, d.w.z. van een vrijkoping, die de mensen verlost uit de slavernij van de zonde.” (CKK, nr. 600)

Offer

Er zijn veel overeenkomsten tussen het christelijke Pasen en het joodse Pesach. Op Goede Vrijdag wordt dit, net als op Witte Donderdag, goed duidelijk. Tijdens Pesach slachtten de joden een paaslam, om zich van dood en ellende te vrijwaren. Op Goede Vrijdag is Jezus voor de christenen het paaslam: Hij is het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt.

Pesach

Tijdens hun Pesachfeest herdenken de joden dat God hen uit de Egyptische slavernij heeft gevoerd. Daarbij staat de doortocht door de Rode Zee centraal. Met Pasen gedenken dat Christus de gelovigen met zijn bloed door het dodenrijk naar het eeuwig leven heeft geleid. 

Passie

De lijdensgeschiedenis van Jezus wordt vaak aangeduid met de Latijnse term passio (= 'lijden'), in het Nederlands: passie. De passie van Christus is de doorgang (passus) die hij, door lijden en sterven, naar zijn Verrijzenis heeft gemaakt.

Kajafas

De gebeurtenissen van Goede Vrijdag komen in de vier evangeliën in grote lijnen overeen. De Joodse schriftgeleerden, aangevoerd door hogepriester Kajafas, beschuldigen Jezus van godslastering. Aangezien zij Jezus dood wensen, en zij hem als Joden zelf niet ter dood mogen brengen, leveren zij hem uit aan Pontius Pilatus, de Romeinse prefect van Judea.

Pilatus

Het valt Pilatus zwaar om Jezus te veroordelen. Meerdere malen maakt hij de Joodse aanklagers duidelijk geen schuld te kunnen vinden in deze zogenaamde 'koning der Joden'. Hij laat de Joden zelfs kiezen tussen de vrijlating van Jezus of die van de gevreesde rover Barabas. De menigte kiest voor Barabas. Pilatus laat Jezus dan geselen, en toont hem, getooid met doornenkroon en purperen kleed, aan de menigte: "Zie, de mens" (Latijn: Ecce homo). De menigte heft daarop een dreigend "Kruisig hem" aan. Uiteindelijk geeft Pilatus toe: Jezus zal aan het kruis ter dood worden gebracht. Gelaten wast de Romein zijn handen, zeggende "Ik ben onschuldig aan dit bloed. U moet het zelf maar zien" (Matt. 27,24). Hier komt de uitdrukking 'zijn handen in onschuld wassen' vandaan.

"Heden is het 'Hosanna!', morgen 'Kruisig hem!'"

De traditie leert dat de menigte die bij Pilatus het "Kruisig hem!" uitroept, dezelfde menigte is die nog geen week eerder, op Palmzondag, Jezus met een luid "Hosanna!" in Jeruzalem heeft ingehaald. Hier komt de Nederlandse uitdrukking "Heden is het 'Hosanna!", morgen 'Kruisig hem!" vandaan, die in het verleden vaak gebruikt werd om de onbestendigheid van de volksgunst te illustreren.

Naar Golgotha

Jezus begint na het oordeel van Pilatus aan zijn gang naar Golgatha, de schedelvormige berg – letterlijk: Schedelplaats – die even buiten de stad ligt. Hij wordt beschimpt en mishandeld door de soldaten die hem meevoeren. De Bijbel vermeldt over deze weg naar het kruis slechts dat Simon van Cyrene, een toeschouwer, wordt ingeschakeld om het kruis voor Jezus te dragen en dat Jezus een aantal wenende vrouwen toespreekt.

Kruisiging

Jezus wordt, boven op de schedelberg aangekomen, aan het kruis genageld. Aan weerszijden hangt een misdadiger. Eén van hen bekeert zich ter plekke. Soldaten verloten de kleren van Jezus, geven hem zure wijn, bespotten zijn machteloosheid en voorzien zijn kruis van het opschrift "Koning der Joden".

Overlijden

De laatste woorden die Jezus aan het kruis spreekt zijn niet in alle evangeliën gelijk. Lucas laat Jezus de geest geven met de woorden: "Vader, in uw handen leg ik mijn geest". Volgens Johannes, die veel nadruk legt op de vervulling der Schrift door deze gebeurtenissen, sterft Jezus terwijl hij zegt: "Het is volbracht". Dit is een verwijzing naar de laatste regel van Psalm 22.

"Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?"

Marcus en Matteüs benadrukken de vervulling van de Schrift evenzeer als Johannes, door Jezus te laten uitroepen: "Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?". Deze uitroep vormt het wanhopige begin van Psalm 22, een gebedstekst die als geheel juist blijk geeft van het grootst mogelijke Godsvertrouwen. Veel commentatoren ontgaat het belang van Psalm 22 in dit verband. Als zij lezen dat Jezus op de drempel van zijn kruisdood heeft geroepen "Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?", willen zij deze uitroep nogal eens duiden als een moment van godsverlatenheid. Marcus en Matteüs willen hier juist het tegendeel uitdrukken.

Natuur in opstand

Nadat Jezus, de Zoon van God, aan het kruis is gestorven, komt de natuur in opstand: de zon wordt verduisterd, de aarde beeft en het voorhangsel van de Tempel van JHWH scheurt doormidden.

Begrafenis

Jozef van Arimathea, lid van de Joodse Raad en in het geheim een volgeling van Jezus, gaat tegen de avond naar Pilatus. Deze willigt het verzoek van Jozef om Jezus' lichaam mee te nemen in. Jozef wikkelt het lichaam van Jezus in linnen. Onder het toeziend oog van enkele van Jezus' vrouwelijke bekenden legt Jozef het lichaam vervolgens in een in de rotsen uitgehouwen graf, en wentelt daarna een grote steen voor de ingang.

Plechtigheid

De liturgische plechtigheid ter herdenking van de kruisdood van Jezus wordt op Goede Vrijdag bij voorkeur gehouden rond drie uur in de middag, het tijdstip waarop Christus stierf. In de kerk is de godslamp gedoofd, ten teken van de afwezigheid van het Lichaam van Christus in het tabernakel. Het altaar is volledig kaal, dus ontdaan van kruis, kandelaren en iedere verdere aankleding. De liturgische kleur is rood: een verwijzing naar het lijden en het vergoten bloed van Christus.

Drievoudige verbeelding

Lijden en dood van Jezus Christus worden op Goede Vrijdag in de liturgie drievoudig 'verbeeld': in de dienst van het woord, in de kruisvertoning en -verering en in het ontvangen van de hostie in een communieviering. Paus Benedictus XIV (1740-1758) schreef hierover: "Alle ceremoniën hebben thans tot doel om ons Jezus' lijden levendig voor ogen te brengen en onze harten bij die aanblik te beroeren, opdat wij ons bereid maken om van de vrucht van Zijn lijden ons deel te mogen ontvangen."

Dienst van het woord

Tijdens de Dienst van het Woord op Goede Vrijdag staat het lijdensverhaal volgens Johannes centraal. Johannes toont met zijn Evangelie aan dat Jezus Christus de Messias was, over wie reeds in het Oude Testament werd geprofeteerd. Om dit te bevestigen gaat in de kerk aan de lezing van Johannes een lezing uit het oudtestamentische boek Jesaja vooraf. De voorbeden in de dienst van het woord van de Goede Vrijdag zijn zeer uitgebreid.