Eucharistie: liturgie

De eucharistie wordt gevierd. Het is dus eigenlijk een feest. Jezus wordt niet alleen herdacht, maar ook feestelijk geroemd. Een feest kan niet zonder rituelen. Die zorgen ervoor dat de viering zich onderscheidt van gewone bijeenkomsten. De eucharistie is geen gewone bijeenkomst, maar een heilige aangelegenheid, waarvoor je in een bepaalde stemming moet zijn. In de loop van de geschiedenis heeft de eucharistieviering verschillende vormen aangenomen. Toch is er bijna tweeduizend jaar niet afgeweken van een bepaalde structuur. Altijd werd er voorgelezen uit de Bijbel; altijd werden er brood en wijn op een tafel geplaatst; altijd bad een voorganger namens de hele gemeenschap een plechtig gebed tot God; altijd werd het brood en de wijn beschouwd als het Lichaam en Bloed van Christus; en altijd vond er een communie plaats, waarbij het brood werd gegeten en de wijn gedronken.

INLEIDING

Tradities
Als het oudchristelijke adagium Lex orandi lex credendi, 'de wet van het bidden is de wet van het geloven', ergens op moet worden toegepast dan is het wel op de sacramentenleer. Het adagium huldigt het principe dat de christelijke gebedstraditie maatstaf is voor de geloofstraditie. Wie dus wil weten wat eucharistie is, leert dat het beste aan de hand van de liturgische praktijk door de eeuwen heen. Liturgie is de wijze waarop gelovigen gemeenschappelijk God aanbidden. Katholieken gebruiken voor hun eredienst geen willekeurige vormen. Integendeel, de katholieke liturgie is gebaseerd op de praktijk van de eerste christenen, de Bijbel en de Traditie. Op basis daarvan werden liturgische teksten geschreven. Die bestonden niet enkel uit gebedsteksten, maar ook uit liederen en rituele voorschriften. In bijna 2000 jaar kerkgeschiedenis zijn er zo verschillende tradities gegroeid, die grofweg kunnen worden ingedeeld in de oosterse en westerse ritus. Het huidige eucharistisch ritueel van de Westerse rk-kerk staat beschreven in het Romeins Missaal uit 1970. 

1. OUDE KERK 

a. Eerste vormen 

Vier oerhandelingen
Sinds de eerste christenen met elkaar het brood braken heeft de liturgische vorm van de eucharistie een bepaalde ontwikkeling doorgemaakt. Ondanks de vele veranderingen in het ritueel heeft de Kerk steeds vastgehouden aan een bepaald stramien. Dat werd bepaald door de vier oerhandelingen van de eucharistie. Die gaan terug op de handelingen van Jezus tijdens het Laatste Avondmaal:
1. Hij nam het brood en de wijn;
2. Hij sprak het dankgebed uit;
3. Hij brak het brood;
4. Hij gaf het aan zijn leerlingen.

Deze handelingen vormen de basis van respectievelijk:
1. De offerande, een ritueel waarbij brood en wijn worden aangedragen;
2. Het eucharistisch gebed;
3. De broodbreking;
4. De communie. 

Woorddienst
De heilige martelaar Justinus schrijft rond 155 dat christenen iedere zondag samenkomen en de eucharistieviering beginnen met Bijbellezingen. ?Er wordt gelezen uit de gedenkschriften van de apostelen of de geschriften van de profeten, voor zover de tijd het toelaat. Wanneer dan de lector de lezing beëindigd heeft, spreekt hij die voorgaat, een woord van vermaning en aansporing om al dat goede in praktijk te brengen. Vervolgens staan wij allen gezamenlijk op en spreken onze gebeden uit.? De drie onderdelen die hier de revue passeren zijn zowel in de ritus van het oosten als die van het westen bewaard gebleven: lezingen uit de Bijbel; homilie oftewel de preek; en de voorbede. Zij vormen samen de woorddienst van de eucharistie, die zich onderscheidt van de altaar- of tafeldienst, het eigenlijke eucharistische gedeelte. 

Eucharistisch gebed
Het gebed dat door de voorganger werd gebeden nadat brood en wijn werden aangedragen, heet het Eucharistisch Gebed of de Canon. In de eerste eeuwen kwam het voor dat voorgangers dit gebed improviseerden. Maar dat moest wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. Deze werden afgeleid uit kernonderdelen van het joodse pesachmaal of andere joodse vieringen:
- het zegenend danken van God;
- het in herinnering brengen (anamnese) van Gods grote daden;
- de cultivering van de gemeenschap als Volk van God;
- het hoopvol uitkijken naar de komst van de Messias.

Vertaald naar het christelijk geloof kwam het erop neer dat in een eucharistisch gebed:
- God werd gedankt voor zijn goede gaven;
- Christus in herinnering werd gebracht;
- gebeden werd voor de gemeenschap van christengelovigen;
- vooruitgekeken werd naar de wederkomst van Christus.
Een voorganger moest het gebed richten tot de Vader en het lijden, sterven en verrijzen van Christus centraal stellen. De kern van het eucharistisch gebed waren Jezus? eigen woorden: dit is mijn Lichaam; dit is mijn Bloed. 

Canon van Hippolytus
In latere eeuwen vonden er concilies plaats waar de eucharistische gebeden werden vastgelegd. De ervaring leerde namelijk dat niet iedere voorganger in staat was een correct gebed te formuleren. Eén van de oudste ons overgeleverde eucharistische gebeden is afkomstig uit de kerk van Rome en dateert uit de derde eeuw, de tijd dat in Rome het Latijn het Grieks verdrong. Het staat in het geschrift De Apostolische Traditie van Hippolytus. De canon van Hippolytus begint met een dankzegging aan God omdat Hij zijn Zoon Jezus heeft gezonden. Vervolgens begint de Consecratie. Dat is het moment waarop de voorganger de instellingswoorden van Jezus opzegt: ?Die nadat Hij was verraden (..) het brood nam en U zegende met de woorden: ?Neemt en eet want dit is mijn lichaam dat voor u wordt gebroken.? Ook nam Hij de kelk, terwijl hij zei: ?Dit is Mijn Bloed, dat voor u wordt vergoten. Telkens als u dit doet, doe het om mij te gedenken?.? Hierna zegt de voorganger dat het brood en de kelk aan God worden aangeboden. Pas dan wordt God gevraagd om de Heilige Geest over deze offergaven te zenden. Van deze Geest wordt gezegd dat Hij alle gelovigen verenigt met de Heilige Kerk ?nu en tot in eeuwigheid?. De canon wordt besloten met het Hebreeuwse woord Amen. 

Disciplina arcani
Omdat de eucharistie een heilige samenkomst was en Jezus had gezegd ?Geef het heilige niet aan de honden?, ontstond vanzelfsprekend een zekere tucht die het heilige tegen heiligschennis of verkeerde interpretatie moest beschermen. Deze oudkerkelijke tucht werd ?disciplina arcani? (letterlijk: ?discipline van het geheim?) genoemd. De eucharistie werd immers gevierd als mysterium, dat ook geheim betekende. Dit geheim kon alleen worden begrepen als je in Christus geloofde en intensieve catechese had ondergaan, de zogeheten Mystagogische catechese. De disciplina arcani eiste daarom van gedoopten dat zij de eucharistische offerdienst met geheimzinnigheid omhulden en er zeker niet met buitenstaanders over spraken. Heidenen mochten de eucharistie niet bijwonen en voor aanvang van de altaardienst moesten doopleerlingen en gedoopte boetelingen de kerk verlaten. 

b. Oosterse liturgie

Vaste vorm
In het Oost-Romeinse of Byzantijnse rijk kreeg de eucharistieviering al betrekkelijk snel een nagenoeg vaste vorm. Gebaseerd op de traditie van de oerkerk in Jeruzalem ontstond tussen de vierde en de zesde eeuw de Goddelijke Liturgie. Zo werd de eucharistieviering in het Griekse Oosten aangeduid. 

Keizer
In tegenstelling tot het Westen onderging de vorm van de oosterse eredienst nauwelijks wijzigingen. De reden daarvoor kan worden gezocht in het feit dat het Oost-Romeinse rijk duizend jaar langer bleef bestaan dan het West-Romeinse rijk. De keizer in Constantinopel, die ook in de Kerk een hoge gezagspositie had, zorgde ervoor dat in iedere kerk liturgische tucht heerste. 

Twee versies
Grofweg zijn er twee versies van de Goddelijke Liturgie. Ze zijn genoemd naar twee aartsbisschoppen die zowel in Oost als West worden vereerd als heilige Kerkleraren: Johannes Chrysostomus (ca.330-379) en Basilius de Grote (ca.345-407). De Goddelijke Liturgie van Johannes Chrysostomus wordt meestal op zon- en feestdagen gebruikt en die van Basilius op vastendagen. 

Hemelse eredienst
Opvallend in beide orden van dienst is de rol van de gelovigen. Zij vieren de eucharistie als vertegenwoordigers van het ene Volk van God en spelen in die hoedanigheid een wezenlijke rol. Liturgie (van het Griekse leitourgeia) betekent immers letterlijk ?daad van het volk?. Ook het koor neemt een belangrijke plaats is: de zangers zijn liturgische symbolen van het engelenkoor. De engelen aanbidden God voortdurend in de hemel; in de Goddelijke Liturgie kunnen de mensen op aarde deelhebben aan die hemelse eredienst. 

Complex geheel
De oosterse eucharistieviering is een complex geheel van rituelen en is allesbehalve sober te noemen. Opmerkelijk in de oosterse eucharistie zijn de litanieën, hymnen en smeekbeden. In deze onderdelen laat het gelovige volk letterlijk van zich horen door het veelvuldig beamen van de aanroepingen van de voorzanger en de voorganger. 

Achter gordijn
In het oosterse kerkgebouw werd het altaar al spoedig afgegrensd van de ruimte voor het volk. Dit gebruik was afgeleid van de joodse eredienst in de synagoge, waar de rollen van de Tora achter een gordijn werden bewaard. Dat deed weer denken aan de Ark van het Verbond in de Tempel van Jeruzalem die zich in het Heilige der Heiligen bevond en waar alleen de hogepriester mocht komen. De afgrenzing in de oosterse kerken geschiedde in de eerste tijden door een gordijn en later door een iconostase, een wand van iconen. 

Brood en wijn
De altaardienst volgt net als in het Westen op de woorddienst. Het begint met een gavenprocessie en beleeft zijn hoogtepunt als de priester de anaphora (Grieks voor ?offer?) uitspreekt. Dat is het eucharistische gebed, waardoor brood en wijn veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus. In de oosterse eucharistie komt deze verandering voornamelijk tot stand door de Epiklesis. Dat is het gebed waarin de priester God smeekt om diens Geest over het brood en de wijn uit te storten. De communie die volgt heeft altijd plaats onder twee gedaanten. Dit in tegenstelling tot het Westen, waarin na verloop van tijd de gelovigen alleen het eucharistisch brood, de Hostie, ontvingen. 

2. DE MIDDELEEUWEN IN HET WESTEN 

Twee Westerse families
Al in de oudheid ontstaan er in het Westen twee liturgische families: de Romeinse en de Gallicaanse ritus. De eerste werd gepraktiseerd in de regio?s Rome, Zuid-Italië en Noord-Afrika; de tweede in de rest van het West-Romeinse rijk. Over het algemeen kan gezegd worden dat de Romeinse traditie soberder is dan de Gallicaanse. De laatste traditie is meer een verzamelnaam van diverse locale riten. Gedurende de Middeleeuwen ontstond er in het ?Gallicaanse? gebied, onder invloed van diverse culturen en politieke instabiliteit, een grote variëteit aan liturgische vormen. Daardoor kwam het voor dat het wezen van de eucharistie steeds meer verduisterd raakte door allerlei randrituelen.

Gregoriaanse hervorming
In de late oudheid werd de eucharistieviering zoals die in de Romeinse ritussen plaatsvonden verrijkt door bepaalde onderdelen als een boeteritus, een litanie gericht aan Christus de Heer (Kyrie) en andere gebeden en liederen. Toch meenden diverse pausen dat sommige onderdelen de misliturgie vervuilden en dat ketterse ideeën in de gebedsteksten waren binnengeslopen. De eerste die een liturgische hervorming inzette voor de Romeinse ritus was paus Gregorius de Grote(590-604). Zijn visie was zo invloedrijk, dat liturgiewetenschappers de beweging die hij startte plegen aan te duiden met Gregoriaanse Hervorming. De kerkleiders die tot deze beweging behoorden lieten speciale misboeken schrijven: het lezingenboek (Lectionarium) voor de lector en het eucharistisch gebedenboek (Sacramentarium) voor de priester.

Kyrie, Alleluja, Agnus Dei
Gregorius? opvolgers versoberden de Romeinse ritus. Zo verkortten zij de Kyrie-litanie aan het begin van de eucharistie. Ook voegden zij een oosterse hymne gericht aan de Drie-eenheid toe, die de Latijnen het Gloria noemden. Het aantal bijbellezingen in de Woorddienst werd teruggebracht tot twee. Alleen op feestdagen werd een lezing uit het Oude Testament toegevoegd. De belangrijkste lezing werd als laatste gedaan. Die kwam altijd uit één van de vier evangeliën. De gregoriaanse hervormers bepaalden dat een Alleluja-gezang aan de evangelielezing vooraf moest gaan, behalve in de Veertigdagentijd en op de vastgestelde boetedagen. Ook legden ze vast dat het Onze Vader vlak na het eucharistisch gebed gebeden moest worden en dat daarna de Broodbreking moest plaatsvinden. Paus Sergius I (687-701) introduceerde het Agnus Dei, een litanie gericht aan Christus in de gestalte van het Lam Gods, een verwijzing naar het joodse paaslam (Zie: Eucharistie: oorsprong). Het Agnus Dei diende tijdens de Broodbreking gezongen te worden. 

Gallicaanse ritus
Ondertussen maakten de diverse misliturgieën in het Gallicaanse gebied een ingewikkelde ontwikkeling door. Enerzijds was de invloed van Rome merkbaar, omdat op verzoek van keizer Karel de Grote (742-814) kopieën van het pauselijk sacramentarium in omloop werden gebracht; anderzijds werden ook elementen uit de oosterse ritus overgenomen. Over het algemeen kan gesteld worden dat de Gallicaanse ritus zich van de Romeinse onderscheidde door een bijna dramaturgische beklemtoning van het rituele gebaar, door het herhalen van aanroepingen en gebedsformules; en door een grotere lengte van de gebeden. Dat locale gebruiken en misbruiken zo lang hebben kunnen bestaan heeft te maken met het ontbreken van een strak liturgisch reglement. Pas nadat in de 15e eeuw misboeken konden worden gedrukt en in grote oplagen verspreid, kwam de diversiteit en daarmee ook de wildgroei aan het licht. Het Concilie van Trente (1545-1563), het definitieve antwoord van het kerkelijk leergezag op de Reformatie, maakte korte metten met deze wildgroei en besloot tot liturgische standaardisering.

3. CONCILIE VAN TRENTE 

?Paapse afgoderij?
Het Concilie van Trente was niet alleen het antwoord op de Reformatie, maar ook op de kerkelijke mistoestanden die ertoe geleid hebben dat het überhaupt tot een Reformatie kwam. Dat de protestantse Heidelbergse Catechismus van 1563 de eucharistieviering verwierp als een ?paapse afgodendienst? was niet alleen een reactie op het offerkarakter van de Mis, maar ook op het bijgeloof en de magische opvattingen van het gelovige volk die de eucharistie omringden. 

Hocus pocus
Niet alleen de gelovigen hadden in de Middeleeuwen magische opvattingen over de Mis. Ook menig parochiepriester had geen flauw benul wat hij aan het doen was als hij de Mis opdroeg. Dat kwam omdat er geen regels bestonden voor een degelijke theologieopleiding voor de geestelijkheid van het platteland. Door de gebrekkige kennis van het Latijn wisten geestelijken vaak niet wat ze aan het altaar eigenlijk baden. Deze wantoestand is de oorsprong van de toverspreuk ?Hocus pocus Pilatus pas?. Dat is een mengsel van Latijnse woorden uit de Mis. ?Pilatus pas? komt uit het Credo, waarin onder meer beleden werd dat Jezus ?geleden heeft onder Pontius Pilatus?, ?sub Pontio Pilato passus?. ?Hocus pocus? komt van de instellingswoorden van Jezus bij de Consecratie: ?Want dit is mijn Lichaam?, ?Hoc est enim corpus meum?. 

Priesteropleiding
Het Concilie van Trente rekende af met het gebrekkige niveau van de plattelandsgeestelijke door te besluiten dat iedere priesterkandidaat voortaan verplicht was het pastorale ?vak? te leren op een seminarie (letterlijk ?kweekschool?). Daar werd de seminarist niet alleen geleerd hoe de sacramenten gevierd moesten worden, maar vooral ook wat de rituelen betekenden. Veel nadruk werd er in deze seminaries gelegd op het correct uitvoeren van het opdragen van de Mis. Want dat was het belangrijkste wat de priester deed: het Offer van Christus opdragen. Doordat de priester, en hij alleen, de woorden van de Consecratie uitsprak, veranderde brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus. 

Tridentijnse ritus
Het Concilie bepaalde dat de priester voortaan exact moest weten welke woorden hij moest zeggen en welke handelingen hij moest verrichten als hij aan het altaar stond. Daarom besloten de bisschoppen dat er één eucharistisch ritueel moest komen. Alle tot dan toe gepraktiseerde tradities moesten worden afgeschaft ten gunste van de officiële liturgie van de Kerk van Rome. Voortaan zou de priester gebonden zijn aan strenge liturgische voorschriften. Het besluit resulteerde in de publicatie van het Romeins Missaal in 1570, drie jaar na het concilie. Omdat het misboek uitkwam onder paus Pius V werd het ook wel Missaal van Pius V genoemd. Niet alleen de eucharistieviering werd hervormd, maar ook de andere vormen van eredienst. Zij vormden samen de Tridentijnse Ritus, genoemd naar de vergaderplaats van het concilie, de Noord-Italiaanse plaats Trente (in het Latijn Tridentinum).

Missaal van Pius V
De bedoeling van de Tridentijnse concilievaders was de eucharistieviering zo te hervormen dat de orde van dienst gebaseerd werd op de pauselijke liturgie van de eerste eeuwen. De concilievaders hadden met de humanisten en de reformatoren gemeen dat zij terug wilden naar de bron. Toch is die herbronning volgens moderne inzichten mislukt, omdat de kritische liturgiewetenschap in de 16e eeuw nog niet bestond. Dat resulteerde erin dat veel Middeleeuwse aanslibsels nog steeds niet werden weggewerkt. Ook bleef het offerkarakter - dat in de Middeleeuwen meer en meer centraal was komen te staan - sterk benadrukt. Het Altaar was veel meer een symbool van de Calvarieberg waar Jezus zijn leven had geofferd, dan een tafel waar de gelovigen de Maaltijd des Heren vieren. Omdat de priester dus de gestalte had van een offeraar die met zijn rug naar het volk stond, bleef de Middeleeuwse afgrenzing tussen voorganger en gelovigen bestaan. Dat leidde ertoe dat de gelovigen praktisch gesproken niet deelnamen aan de eucharistie, maar de Mis alleen maar bijwoonden. 

4. TWEEDE VATICAANS CONCILIE 

a. Liturgische beweging
Onder invloed van ontwikkelingen in de theologie en de liturgiewetenschap groeide in de 19e eeuw de behoefte aan een grondige hervorming van de Tridentijnse Mis. Hieruit ontstond de zogenoemde Liturgische Beweging. Leden van deze katholieke hervormingsbeweging bepleitten bij de kerkelijke gezagsdragers de ?actieve participatie? van de gelovigen in de eucharistie. Zij wilden dat de gelovigen de Mis niet alleen bijwoonden, maar ook een actieve rol speelden bij de voltrekking van het ritueel. In de loop van de twintigste eeuw werd de roep hierom steeds luider, maar steeds kregen de hervormingsgezindeners nul op rekest bij het katholiek leergezag. Het Romeins Missaal uit 1570 bleef onverminderd voorgeschreven. Hier en daar werd, soms oogluikend, toestaan dat er liturgische experimenten plaatshadden. Ofschoon paus Johannes XXIII het Missaal in 1962 op enkele punten aanpaste, kwam de uiteindelijke doorbraak pas met het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). Toen pas bleek hoeveel aanhangers de Liturgische Beweging al onder de concilievaders had. 

b. Sacrosanctum Concilium
Het eerste conciliedocument dat verscheen was Sacrosanctum Concilium (SC) uit 1964. Daarin werden de liturgiehervormingen geformuleerd. De concilievaders hadden dit voor ogen: herbronning en actieve deelname van de gelovigen. Het document bepaalde betreffende de eucharistieviering het volgende:
- Herziening van het vaste misritueel;
- Uitbreiding van het lectionarium
- Herstel van de homilie als liturgische schriftuitleg
- De (her)invoering van de voorbede
- Het toestaan van de volkstaal
- Leken moeten onder twee gedaantes kunnen communiceren
- Meerdere priesters moeten tegelijk de eucharistie kunnen vieren (concelebratie). 

Herziening ritueel
In nummer 50 van Sacrosanctum Concilium bepaalden de bisschoppen: ?Het vaste misritueel moet zo worden herzien, dat het eigen karakter van elk van de onderdelen en hun onderlinge samenhang duidelijker spreken en een godvruchtig en actief deelnemen van de gelovigen gemakkelijker wordt. Daarom moeten de riten met eerbiediging van hun kern vereenvoudigd worden; de doublures en onnutte toevoegingen die in de loop der tijden zijn aangebracht, moeten worden weggelaten; anderzijds moeten sommige dingen die door de ongunst van de tijden in onbruik zijn geraakt, naargelang zij nuttig of nodig schijnen, worden hersteld in de geest van de oude voorschriften van de eerbiedwaardige vaders.? 

Uitbreiding van Lectionarium
In de Tridentijnse Mis werd door het kerkelijk jaar heen maar een beperkt deel uit de Bijbel voorgelezen. Daarom besloten de concilievaders: ?Om de tafel van het woord van God voor de gelovigen rijker aan te richten, moeten de schatkamers van de Bijbel in ruimere mate worden opengesteld, en wel zo dat binnen een vastgesteld aantal jaren het belangrijkste deel van de Heilige Schrift aan het volk wordt voorgelezen? (SC 51). 

Herstel van homilie als liturgische Schriftuitleg
Na Trente was de preek in de mis verworden tot een moraliserend, informerend of zelfs politiek medium. Vaticanum II wilde daar vanaf en bepaalde dat de preek weer een homilie, een liturgische Schriftuitleg, moest worden. ?De homilie, waarin de geloofsmysteries en de richtlijnen voor het christelijk leven in de loop van het kerkelijk jaar vanuit de gewijde tekst worden uiteengezet, verdient als onderdeel van de liturgie zelf de hoogste aanbeveling; in de missen die op zondagen en geboden feestdagen samen met het volk worden gevierd, mag zij zeker niet worden weggelaten, tenzij om een ernstige reden? (SC 52). 

Invoering van Voorbede
Al in de oudheid bestond in de mis de Voorbede voor kerk en wereld. In het kader van de herbronning schreven de bisschoppen daarom: ??De gemeenschappelijke voorbede' of 'het gebed van de gelovigen', na het evangelie en de homilie, moet worden hersteld, vooral op de zondagen en geboden feestdagen, zodat samen met het volk wordt gebeden voor de heilige Kerk, voor hen die gezag over ons uitoefenen, voor hen die gebukt gaan onder allerlei noden, alsook voor alle mensen en het heil van heel de wereld? (SC 53). 

Toestaan van de volkstaal
Eeuwenlang was het Latijn de enige liturgische taal van de Westerse Kerk geweest. Omdat Vaticanum II de actieve participatie van de lekengelovigen wilde bevorderen, moest de Mis dus ook in de landstaal kunnen worden gevierd. Dat wilde echter niet zeggen dat het Latijn werd afgeschaft. ?Toch moet ervoor worden gezorgd, dat de christenen de hun toekomende gedeelten van de Mis ook in de Latijnse taal tezamen kunnen zeggen of zingen? (SC 54). 

Lekencommunie onder beide gedaanten
In tegenstelling tot de kerken van het Oosten, was er in de Westerse kerk een verbod gegroeid op de 'lekenkelk'. Voor Vaticanum II was het leken dus verboden om het Bloed van Christus te ontvangen. Dat had een praktische reden; de bisschoppen vreesden heiligschennis. Onder invloed van de Liturgische Beweging wilde het Tweede Vaticaans Concilie van het verbod af. Toch voerden de concilievader het onder twee gedaanten communiceren niet als standaardritueel in. In principe was het toegestaan, maar dan het liefst in bijzonder gevallen, ?zoals aan de geprofesten in de mis van hun religieuze professie of aan de pasgedoopten in de mis die onmiddellijk op het doopsel volgt? (SC 55). 

Concelebratie
Concelebratie betekent dat meerdere priesters tegelijk het misoffer opdragen. In het Westen was deze praktijk in onbruik geraakt. Alleen in uitzonderlijke gevallen stonden er meerdere celebranten aan het altaar. Vaticanum II besloot het gebruik in ere te herstellen. Vooral in kloosters, kathedralen en basilieken was dat een uitkomst. Omdat de priester na Trente geacht werd dagelijks de mis op te dragen, kwam het dus voor dat in één ruimte meerdere missen tegelijkertijd plaatshadden. Nu konden de priesters van bijvoorbeeld een kloostergemeenschap gezamenlijk de eucharistie celebreren. Daarbij tekenden de concilievaders wel dit aan: ?Iedere priester moet echter altijd de volmacht blijven behouden om afzonderlijk de mis te celebreren, maar niet gedurende de concelebratie in dezelfde kerk en niet op Witte Donderdag? (SC 57). 

c. Romeins Missaal van Paulus VI
Bovengenoemde principebesluiten resulteerden in een nieuw eucharistisch lezingenboek en een misboek: het Lectionarium van 1969 en het Romeins Missaal van 1970, uitgebracht onder verantwoordelijkheid van de toen zittende paus Paulus VI. We zullen ons in het vervolg bezig houden met het nieuwe missaal. Vergeleken met het Tridentijnse missaal van Pius V vallen een aantal dingen op. Het ritueel is sterk vereenvoudigd. Dat blijkt uit het weglaten van verdubbelingen en vage toevoegingen van gebeden en aanroepingen. In feite is de mis ontdaan van 'gallicaanse elementen'. In de inleiding van het Missaal wordt beweerd dat het vernieuwde ritueel aansluiting heeft gezocht bij de Romeinse liturgie van de Gregoriaanse Hervorming. Het ritueel dat in het nieuwe missaal beschreven wordt bestaat uit vier gedeelten:
1. de openingsritus
2. de woorddienst
3. de tafeldienst
4. de slotritus 

1. Openingsritus 

Begroeting altaar
In een gezongen eucharistieviering begint de mis met de intredezang, die de gang van de priester en zijn assistenten naar het Altaar begeleidt. Als de priester is gearriveerd, groet hij het altaar, dat een symbool van Christus is, met een kus. Daarna zegt de priester: In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Ondertussen maken allen een kruisteken.

Begroeting gelovigen
Na het kruisteken begroet de priester de gelovigen. Daarvoor kan hij verschillende formules gebruiken. De bekendste is: De genade van onze Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen. Deze formule komt uit de Tweede Brief van Paulus aan de Korinthiërs, hoofdstuk 13, vers 13. Een andere groet is: De Heer zij met u. In alle gevallen antwoordt het volk: En met uw geest. 

Inleiding
Na de begroeting geeft de priester een korte inleiding op de mis van de dag. Dat kan een verwijzing zijn naar de heilige die herdacht wordt of het thema van die dag. 

Boeteritus
Ter voorbereiding bidt nu iedereen een Schuldbelijdenis. Deze kan verschillende vormen aannemen. Op zondag kan gekozen worden voor een waterzegening. De priester zegent water en besprenkelt het volk als teken van rituele reiniging. 

Kyrie en Gloria
Na het boeteritueel volgt de drievoudige aanroeping van Christus, bekend onder de Griekse naam Kyrie. In het Nederlands klinkt dat als Heer ontferm U (2x), Christus ontferm U (2x), Heer ontferm U. Na het Kyrie klinkt op zon- en feestdagen de hymne Gloria, een gezang waarin de Drie-eenheid wordt aanbeden. In de Advent en de Veertigdagentijd blijft het Gloria achterwege. 

Openingsgebed
Aan het slot van de openingsritus bidt de priester de zogeheten Collecta. Dit gebed is gericht tot God de Vader en vat de thematiek van de mis van die dag samen. Tijdens dit gebed houdt de priester de handen zijwaarts geheven met de handpalmen naar boven gericht. Deze houding wordt ook wel Orante genoemd. 

2. Dienst van het Woord 

Lezingen
Op zon- en hoogfeestdagen worden er drie lezingen gedaan, op weekdagen twee. Het is de taak van de Lector om de eerste lezing(en) te verrichten. Het is de taak van de Diaken om de laatste lezing voor te lezen; als die er niet is doet de priester dat. De laatste lezing komt altijd uit één van de vier Evangeliën. De eerste lezingen zijn genomen uit het Oude Testament, uitgezonderd de psalmen, of het Nieuwe Testament, uitgezonderd de evangeliën. 

Gezangen
Na de eerste lezing wordt een psalm gezongen. De keuze van de psalm hangt meestal af van de lezingen, die op hun beurt vaak afhangen van de liturgische periode of de heilige van de dag. Zo wordt bijvoorbeeld op Aswoensdag psalm 51 gezongen, een boetegezang waarin God wordt gesmeekt om vergeving. Als er een derde lezing is, dan gaat buiten de Veertigdagentijd aan het evangelie een alleluja-gezang vooraf. Allelulia, dat ?prijs de Heer? betekent, wordt ingezet als hulde aan het Woord van God, waarvan het evangelieboek het symbool is. Bij plechtige missen vindt er een kleine evangelieboekprocessie plaats en wordt het boek bewierookt. 

Homilie
De homilie, in de volksmond de preek genoemd, is een soort toespraak die wordt gedaan door de diaken, de priester of de bisschop. Het is de bedoeling dat de predikant op basis van de gehoorde mislezingen de Blijde Boodschap verkondigt aan de gelovigen en hen aanspoort deze in praktijk te brengen. Op zon- en hoogfeestdagen wordt na de homilie de Geloofsbelijdenis opgezegd of gezongen. 

Voorbede
In dit onderdeel bidden de gelovigen voor de noden van de Kerk en van de wereld. Ook worden de bijzondere misintenties genoemd die de gelovigen hebben aangedragen. Meestal wordt gevraagd om te bidden voor bepaalde overledenen. In de meeste parochies moet voor deze intenties worden betaald.

3. Dienst van de Tafel 

Offerande
De Dienst van de Tafel begint met het klaarmaken van de altaartafel. Misdienaars dragen brood, wijn en water aan. De priester neemt eerst de hosties aan en draagt deze op aan God, terwijl hij een zegenformule uitspreekt. Hetzelfde doet hij met de kelk, waarin hij wijn heeft gegoten met een weinig water. Daarna wast de priester ritueel zijn handen. Vervolgens vraagt hij de aanwezige gelovigen te bidden dat de offergaven door God aanvaard mogen worden. Als het volk heeft geantwoord, bidt de priester het zogeheten Gebed over de Gaven. 

Eucharistisch gebed
Het Eucharistisch Gebed is het belangrijkste onderdeel van de mis. De vier wezenlijke kenmerken zijn ontleend aan de Joodse sedermaaltijd. (Zie: Eucharistie: oorsprong))
1. Allereerst wordt God gedankt en verheerlijkt.
2. Gods grote daden worden in herinnering gebracht.
3. De vierende gemeenschap cultiveert zichzelf als Gods volk.
4. Er wordt hoopvol uitgezien naar de komst van de Messias. 

Deze vier elementen worden christologisch ingevuld:
1. God wordt gedankt door Christus.
2. Christus? lijden, sterven en verrijzen worden in herinnering gebracht.
3. God wordt gevraagd om Christus? gemeenschap, de Kerk, te zegenen.
4. Hoopvol wordt uitgezien naar de Wederkomst van Christus. 

Het eucharistisch gebed kent de volgende onderdelen:
Prefatie, de plechtige introductie waarin God wordt gedankt;
Sanctus, het gezang waarin het volk zich verenigt met de engelen en Gods heiligheid bezingt;
Epiclese, het onderdeel waarin God wordt gevraagd de offergaven te heiligen met zijn Geest;
Consecratie, het hoogtepunt van de eucharistie met de Instellingswoorden;
Anamnese, waarin Gods daden in herinnering worden geroepen;
Intercessiegebeden, waarin God wordt gevraagd.